Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tweede vorm van vleeschvergiftiging is een infectieziekte, die door de besmetting van een bepaalde soort bacteriën ontstaat. Van deze soort kende men vroeger slechts één vertegenwoordiger, n. 1. den bacillus enteridites, later heeft men ontdekt, dat een aantal leden van de zoogenaamde hog-choleragroep (varkenspestgroep) bij den mensch een vleeschvergiftiging kunnen veroorzaken. De leden van deze groep (zooals varkenspest-, enteritis-, paratyphus- en muizetyphus-bacil) kan men alleen van elkander door hun pathogeniteit onderscheiden, niet door sero-diagnostische en andere onderzoekingen. Zoo veroorzaakt de paratyphusbacil een typhusachtige ziekte, de varkenspest-, de muizetyphus- en de rattenbacil doen in het algemeen een ziekte respectievelijk bij varkens, muizen en ratten ontstaan. Onder bepaalde, nog onbekende omstandigheden krijgen zij echter het vermogen bij menschen de ziekte, die bekend is als infectieuse vleeschvergiftiging te veroorzaken. Zij vestigen zich vooral in het darmkanaal van den mensch en verschijnen aanvankelijk ook dikwijls in den bloedsomloop. De ziekteverschijnselen vertoonen zich eenige dagen na de besmetting. In lichtere gevallen bestaan zij in een met koorts vergezelden buikloop, die een of meer dagen duurt, moeheid, hoofdpijn en buikpijn. De ziekte duurt zelden eenige weken. Er zijn ook een aantal gevallen bekend, waar zij acuut optreedt en onder choleraachtige verschijnselen na eenige uren met den dood eindigt. Door de ziekte ontstaat immuniteit. De varkenspestbacillen schijnen zeer verbreid te zijn; in ham en worst zijn zij dikwijls aanwezig, zij schijnen echter slechts zelden menschenpathogeen te worden. Door de enteritis- en de paratyphusbacillen worden slachtdieren soms reeds bij hun leven aangetast, zoodat zij geslacht moeten worden; meestal echter wordt het vleesch eerst na het slachten door deze bacteriën verontreinigd. Muizetyphus en rattenbacillen kunnen door zieke ratten en muizen gemakkelijk op spijzen overgebracht worden. De beste voorzorgsmaatregel, zoowel voor de eigenlijke vleeschvergiftiging, als voor de infectieuze vergiftiging, is het koken van alle vleeschspijzen.

Vleet of Fleet (Raja batis). Zie Rogvisschen.

Vleet of haringvleet. Zie Vischtuigen.

Vlegel, een handdorschwerktuig, dat nog heden vrij uitgebreide toepassing vindt, bestaat uit den vlegelstok, een rechten houten steel van omstreeks 1.3 m. lengte en den vlegelklop, een zwaardere, in den regel eenigszins kegelvormig toeloopende, ronde houten staaf van omstreeks 0.6 m. lengte, die beweeglijk met elkaar verbonden zijn door middel van leeren banden en riemen of reepen palingvellen.

Vlek. Zie Stad.

Vlekkenwater noemt men een vloeistof, die dient om vlekken uit de een of andere stof, inzonderheid uit kleedingstukken, tafellinnen enz. te verwijderen. Vetvlekken doet men het beste verdwijnen door ze met benzine (Brönners vlekkenwater) te wrijven, inkt- en roestvlekken verwijdert men uit witte stoffen door een oplossing van oxaalzuur, vruchtensappen door chloorwater of zoogenaamd bleekwater (eau de javelle). Gekleurde stoffen veroorzaken meestal moeilijkheden, daar vele soorten van vlekkenwater de kleuren aantasten."

Vlekziekte. Zie Varkensziekten.

Vlet of Vletschuit is de naam van een kleine schuit met platten bodem, waarmee in havenplaatsen personen naar of van een buiten liggend schip worden vervoerd.

Vleugel noemt men in de krijgskunde elk van de beide uiteinden van de frontlijn van een troep of van een leger aan weerszijden van het centrum; ook noemt men de geheele rechter of de geheele linkerhelft van een troepenafdeeling wel den rechter of den linker vleugel. De beide militairen, die aan de uiteinden geplaatst zijn, noemt men den rechter en den linker vleugelman.

Vleugel noemt men in de bouwkunst dat deel van het gebouw, dat met het hoofdgebouw onder een hoek verbonden is. Bij een lang rechtlijnig gebouw geeft men ook aan de beide uiteinden den naam van vleugels.

Vleugel. Zie Klavier en Piano.

Vleugel of Wimpel is de naam van een lange, smalle, uit dunne stof bestaande windvaan, die op den top van den scheepsmast is geplaatst.

Vleugelhandige of Handvleugelige zoogdieren. Zie Vleermuizen.

Vleugels noemt men de organen van sommige dieren, welke dienen om te vliegen. Bij de vogels komen zij overeen met de voorste ledematen van de overige gewervelde dieren. De insekten bezitten meestal twee paar vleugels, die aan de rugzijde van het lichaam ingeplant zijn. Naar mate de vleugels grooter en lichter zijn en de lucht minder goed doorlaten, zijn zij beter voor het vliegen geschikt. De spieren, die tot het bewegen van de vleugels dienen, zijn bij goede vliegers krachtig ontwikkeld. De vleermuizen bezitten geen vleugels, maar een vlieghuid, zij vliegen dan ook niet, maar fladderen.

Vleugelvlies. Zie Oogziekten.

Vlie of Vliestroom is de naam van het zeegat tusschen de eilanden Vlieland en Terschelling. Dit water zet zich door de Waardgronden in Z. richting voort en verdeelt zich aan de N. punt van het Langezand in twee armen: de Blauwe Schenk en de Inschot. O. Z. O. van Vlieland komt de Meep uit den Vliestroom, als een breed en diep vaarwater dat zich later in Noord- en Zuid-meep verdeelt. Het is niet onwaarschijnlijk, dat het meer Flevo (zie aldaar) in de Oudheid door den Vliestroom zijn afwatering had op de Noordzee. Als Flevus was hij reeds aan de Romeinen bekend, en dat het een belangrijke stroom was, valt daaruit af te leiden, dat hij de scheiding vormde tusschen O. en W. Friezen volgens de Lex frisionum. Het Vlie behoort tot die zeegaten tusschen de Wadden Eilanden, welke het drukst bevaren worden en wel wegens de scheepvaart van en naar Harlingen.

Vlied- of Vluchtheuvels. Zie Terpen.

Vliegen noemt men de plaatsverandering van dieren in de lucht. Het vermogen daartoe bezitten slechts een 3-tal dierstammen: de vleermuizen, de vogels en de insekten. Daar echter de laatste en ook de vogels in een groot aantal soorten voorkomen, blijkt het dat van de ongeveer 420 000 bekende diersoorten naar schatting niet minder dan 260 000 soorten (ongeveer 248 000 insekten- en 12 000 vogelsoorten) het vermogen om te vliegen bezitten, d. i. 62%. Het ontstaan daarvan moet wellicht hieruit verklaard worden, dat deze diersoorten door

Sluiten