Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorming van zijdelingsche huidplooien een verbreeding van het lichaam verkregen, welke langzamerhand in een soort van valscherm overging. Dezen eersten vorm, welke echter niet tot zelfstandig vliegen in staat stelt, treft men aan bij vliegende visschen, bij den vliegenden kikvorsch (Rliacoptorus RmnwarcUi) van de Soenda-eilanden en bij den boomsar lamander. Bij de zoogdieren ontstaat het valscherm doordat de meer of minder verlengde voorste en achterste extremiteiten door een huidplooi verbonden worden. In dit, evenals in het voorafgaande geval, heeft men te doen met klimdieren, welke groote sprongen moeten maken, waarbij zij gevaar loopen te vallen, zooals de vliegende eekhoorntjes van tropisch Azië en de vliegende maki. Een grootere volmaaktheid wordt bereikt, wanneer het valscherm met behulp der spieren van de voorste ledematen kan worden bewogen. Daarmede gepaard gaat een verlenging van de voorste ledematen. Bij de vleermuis zijn 4 vingers sterk verlengd; alleen de duim blijft kort en los van de vlieghuid. Met toenemende volmaaktheid van het vliegvermogen neemt dat om te klimmen echter af. De oudst bekende vogel, de Arehaeopteryx (zie aldaar), had aan de voorste ledematen, welke reeds tot echte vleugels waren geworden, 3 vingers met sterke nagels. Bovendien kent men een Braziliaanschen vogel, Opisthocomus Loazin, welke in onvolwassen toestand aan de vleugels nagels bezit, die hij, evenals de vleermuizen, bij het klimmen gebruikt.

Bij het vliegen wordt nu in het algemeen door het

snel en krachtig bewegen van vlakken in den vorm van vleugels, de lucht,samengeperst. De daardoor optredende plaatselijke luchtdrukvermeerdering stuwt het vliegende dier omhoog. De vleugels werken daarbij als eenarmige hefboomen. zoodat reeds een geringe beweging van het aan het lichaam bevestigde einde een groote verplaatsing van het andere tot gevolg heeft. Bij de insekten is het vliegvermogen het meest volledig ontwikkeld. Hun spieren hebben een capaciteit, welke zonder weerga is in de dierenwereld. In één enkele seconde kunnen zij zich honderden malen samentrekken, waardoor het insektenlichaam een buitengewone snelheid verkrijgt. Sneltreinen houden zij bij, terwijl zij de raampjes binnenvliegen. Door de snelle beweging der vleugels ontstaat dikwijls een toon. Uit de hoogte daarvan kan worden berekend, dat bijen 440 vleugelslagen per seconde doen; een glazenmaker doet er daarentegen slechts 28.

Bij de vogels wordt het vliegvermogen bevorderd door den bouw der beenderen en de borstspieren. De holle beenderen en de luchtzakken in borst- en buikholte verminderen het soortelijk gewicht. De schouder is door de aan de voorzijde met elkander vergroeide sleutelbeenderen vast met den romp verbonden.

Wat de snelheden betreft, deelen wij mede, dat de kamervlieg per seconde 1,6 m., de kraai 8—12 m., de postduif 17—30 m. en de gierzwaluw 90 m. kan afleggen.

Vliegen vormen met de Muggen (zie aldaar) de orde der Tweevleugelige insekten (Diptera). De talrijkste vliegenfamilie, die der Museida, omvat vele nuttige dieren met drieledige sprieten, wier eindlid meestal samengedrukt is, op den rug geplaatste borstels, een meestal met vleezige lippen voorzienen snuit, doorgaans duidelijk te voorschijn tredende tasters, sterk ontwikkelde balanceerkolfjes en een achterlijf met 5 ringen. De larven, welke gedeeltelijk in de lichamen van andere insekten, vooral in die der rupsen van vlinders, gedeeltelijk in rottende dierlijke en plantaardige stoffen leven en deze met spoed uit den weg ruimen, zijn rolrond en de poppen ton- of eivormig. De larven van onderscheiden groepen ontwikkelen zich zeer snel en worden gedeeltelijk reeds als larven geborenj Daarom vindt men deze dieren in grooten getale, van het voorjaar af tot laat in den herfst. Men verdeelt deze familie in onderscheiden groepen. Bij die der echte vliegen (Muscarae genuinae) is het achterlijf eirond of langwerpig rond, met dunne haartjes bezet en uit 4 ringen samengesteld. Haar larven leven op krengen, uitwerpselen enz. Hiertoe telt men de geslachten der Vleeschvliegen (Sarcophaga Meig.), Steekvliegen (Stoxomys Meig.) Gewone vliegen (Musea L) enz. Bij de vliegen van het geslacht Musea is de kop kort en breed, het aangezicht niet vooruitstekend, het eindlid der peoten lang en het achterlijf eivormig, terwijl bij het man¬

netje de oogen aan elkander grenzen. Het is in alle werelddeelen door talrijke soorten vertegenwoordigd. De meest bekende zijn: de huisvlieg (M. domestica L.) met een aschgrauw, zwart gestreept rugschild en een zwartgevlekt, aan de onderzijde bruingeel achterlijf, — de blauwe vlieg of brommer (M. vomitoria L.) met een grijs gestreept rugschild en een staalblauw achterlijf, — en de goudvlieg (M. Caesar L.), glanzig smaragdgroen met zwarte pooten en een zilverwitten kop. Vooral de eerstgenoemde twee soorten zijn verbazend vruchtbaar. De huisvlieg legt de nagenoeg rolronde eieren in klompjes van 60—70 stuks m mesthoopen, bedorven brood, krengen enz. en de vleeschvlieg haar eenigszins gekromde eieren eveneens in hoopjes van 20—100 stuks liefst in vleesch. oude kaas, krengen, in de naar bedorven vleesch riekende bloemen van Stapelia. Na verloop van een etmaal kruipen de witte, kegelvormige, van oogen verstoken larven uit de eieren en voeden zich met de door haar bewoonde voorwerpen, waarvan zij het bederf door de afscheiding van vuile stoffen bevorderen. Zij komen met het vleesch wel eens levend in de magen der menschen en worden alsdan door braking ontlast; ook heeft men ze wel eens waargenomen in zweren en etterende wonden. Na verloop van 8—14 dagen zijn zij volwassen, waarna zij zich liefst in den grond verpoppen en 14 dagen later als vliegen te voorschijn komen. Het laatste najaarsgeslacht brengt in den toestand van pop

Sluiten