Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlekken. Zijn oogen zijn bruin; snavel en pooten zijn zwart. Hij is in ons werelddeel sterk verspreid, leeft in het gebergte en in de vlakte, in bosschen en tuinen, blijft bij ons van Mei tot September, leeft van insekten, eet soms bessen en nestelt eenmaal in het jaar op boomen, onder het dak enz. Het wijfje legt 4—5 blauwachtig groene, roestkleurig gevlekte eieren, die door beide ouders in 14 dagen uitgebroed worden. De zwartkop vliegenvanger (Muscicapa atricapüla L.), wordt 13 cm. lang en 23 cm. breed, heeft een korten, driekanten snavel

Vliegenvangers.

en een verschillenden vederdos. Het bruiloftskleed van het mannetje is van boven donkergrijs, zwart gevlekt, met een wit voorhoofd en een wit schild op de vleugels. Zijn oogen zijn donker bruin, en zijn bek en pooten zijn zwart. In Italië worden deze vogels in grooten getale gegeten. Enkele malen komt bij ons de kleine vliegenvanger of Spaansch roodborstje {Muscicapa) voor. Deze vogel heeft een betrekkelijk dikken snavel en pooten met een langen loop. De totale lengte bedraagt 12 cm., de breedte 20 cm. Verwant met de vliegenvangers zijn de vliegensnappers (Myiagrinae). Bij hen is de snavel zeer lang en plat, aan de basis breed en met borstelharen omzet; deze vogel, in de keerkringsgewesten der Oude Wereld levend, heeft prachtig gekleurde veeren.

Vliegenvangertje. Zie Dionea.

Vlieg-enzwam (Agaricus muscarius L.) is de naam eener soort van paddestoel uit de orde der Kiemvlieszuximmen (Hymenomycetes). De steel van dit gewas is voorzien van een dikte en van een ring, en evenals de lamellen, zuiver wit. De hoed is van boven prachtig rood, meestal met witte, vlokkige schubbetjes bedekt. Deze soort groeit in bergachtige streken en in de bosschen en behoort tot de scherpe vergiften.

Vlieger, een wellicht door Archytas van Tarente omstreeks 400 v. Chr. uitgevonden stuk speelgoed, was ook reeds bij de Chineezen en de Maori van Nieuw-Zeeland bekend. Bij de laatsten schijnt het oplaten van vliegers met godsdienstige plechtigheden verbonden te zijn geweest. De grondvorm van den vlieger is een scherphoekige gelijkbeenige driehoek. Op de basis daarvan bevindt zich een cirkelsegment of een stomphoekige, gelijkbeenige driehoek. In de zwaartepunten van deze driehoeken worden de beide uiteinden van een kort stuk touw bevestigd, waarmede weer een lang touw, waaraan de vlieger wordt opgelaten, is verbonden.

In 1749 liet Wilson een stelsel van vliegers op om de temperatuur van de hoogere luchtlagen te meten en in 1752 maakte De Bomas en tegelijkertijd Franklin van een vlieger, voorzien van een metalen punt en opgelaten aan een metaaldraad, gebruik, om aan te toonen dat de bliksem een electriscli verschijnsel is.

In den nieuweren tijd heeft de vlieger groote wetenschappelijke beteekenis gekregen voor het onderzoek der hoogere luchtlagen. Daartoe laat men vliegers opstijgen, waaraan kleine, zelfregistreeren-

de instrumenten zijn verbonden, net bleek echter weldra, dat men om de vliegers tot dit doel aan te wenden hun stijgkracht en draagvermogen moest vergrooten. De voornaamste, met dat doel geconstrueerde vliegers zijn: de EddyMalayvlieger, de Hargravevlieger van Lammee Hargrave te Sidney, ook Amerikaansche vlieger geheeten, en de trapvlieger van Kóppen. De Amerikaansche vlieger van Hargrave bestaat uit een viertal latjes, welke de lange ribben van een parallelopipedum vormen. Alleen de uiteinden der zijvlakken zijn met stof overtrokken; het middelgedeelte en de beide eindvlakken zijn open. Gewoonlijk

zijn deze vliegers 1,1 m. breed, 1,3 m. lang en 0,6 m. diep; het totaal gewicht bedraagt 1,56 kg. Somtijds worden ook twee of meer vliegers met elkander verbonden.

Het was onze landgenoot Musschenbroek, die in zijn „Introductio ad philosophiam naturalem" (Leiden 1762, § 573) het eerst de theorie van den vlieger nauwkeurig uiteen zette. De eerste, die in nieuweren tijd de vlieger in dienst der meteorologie stelde, was de Amerikaan L. Rotch op zijn privaatobservatorium op den Blue Hill bij Boston in 1894. Spoedig vond dit voorbeeld in Frankrijk, Duitschland en Rusland navolging. De voordeelen ervan zijn duidelijk, n. 1. de instrumenten ondergaan niet den geringsten invloed hunner omgeving, zooals bij: bergstations en luchtballons dikwijls het geval is, zij kunnen een aanzienlijke hoogte bereiken, men kan ze uren en dagen lang op dezelfde plaats in de lucht laten staan, gelijktijdig een geheele reeks waarnemingen op verschillende hoogten boven elkander doen, is onafhankelijk van de weergesteldheid en de kosten van installatie en onderhoud zijn gering. Het grootste voordeel was echter daarin gelegen, dat men thans eerst in staat was iets te weten te komen omtrent den toestand der hoogere luchtlagen boven de zee, door de vliegers van schepen op te laten stijgen. Reeds in 1898 werden dan ook door het „Weather Bureau" in de Vereenigde Staten 17 stations van vliegers voorzien, ten einde dagelijks den toestand der atmosfeer op 1 Eng. mijl (1600 m.) hoogte te onderzoeken, gelijktijdig met waarnemingen op den beganen grond, ten einde voor de weervoorspellingen ook een synoptische kaart der lucht op die hoogte te kunnen samenstellen. Ook bij de studie der hoogere luchtlagen op het in Juli 1899 te Tegel, bij Berlijn gestichte aëronautisch observatorium spelen de vliegers een groote rol. Hier slaagde prof. Assmann den 258ten November 1905 er in een vlieger tot 6 430 m. hoogte te doen stijgen.

Vlieger, Simon Jacóbsz. de, een Hollandsch zee-, landschap-, genre- en portretschilder, werd je-

Sluiten