Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

planten levende, met de familiën der goudwespen (Chrysidae), met een breed, schijnbaar zittend achterlijf, met de gewone goudwesp (Chrysis ignita L.)j die der galwespen (Cynipida), met een aan den wortel spiraalvormige legboor, met de eikengalwesp (Cynips tinctoria) en die der sluipwespen (Ichneumonidae) met gesteeld achterlijf en een lange in een tweekleppige scheede verborgen legboor, met de langstaartige sluipwesp (Ichneumon manifestator), — en die der angeldragers (Aculeata) met gesteeld achterlijf, een angel en een gifblaas, met de familieën der zandwespen (Sphegida) met draadvormige sprieten en lange achterpooten, met de gewone zandwesp (Ammophila sdbulosa), der Mieren (Formicida), Wespen (Vespidae) en Bijen (Apidd). Zie onder laatstgemelde drie namen.

Vlieszaad (Corispermum L.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Chenopodiaceeén. Het onderscheidt zich door eene 2-deelige bloemkroon, 1 tot 6 meeldraden en eironde, samengedrukte zaden. In ons land hebben wij slechts hyssopladig vlieszaad (G. hyssopifolium L.) met eindelingsche bloemaren en lijnvormige bladeren, en C. Marshallii Stev, op zandig bouwland, met ontbrekend bloemdek en cirkelronde vruchten.

Vliet is de naam van een kanaal tusschen den Ouden Rijn bij Leiden en de Schie bij Delft, waarschijnlijk voor het grootste deel reeds gegraven door de Romeinen onder Corbulo, zoowel om Rijn en Maas te verbinden, als om het land achter de duinen een afwatering te verschaffen. Volgens Fruin werd niet het geheele water gegraven, maar rio Rnmw'npn een verbindine geschapen tus¬

schen de Vliet, een klein water, dat bij Leiden in den Rijn uitmondde, en de Schie bij Öuwerschie, welk laatste water bij het tegenwoordige Schiedam in de Maas uitmondde.

Vliet, Hendrik Cornelisz. van, een Hollandsch architectuur-, genre- en portretschilder, werd geboren te Delft in 1611 of 1612 en overleed aldaar in 1675. Hij was een leerling van Mierevelt en te Delft werkzaam. De werken van zijn tijdgenooten Qerard Houckgeest en Emanuel de Witte bleven niet zonder invloed op zijn schilderwijze. In 1632 werd hij lid van het St. Lucas- gilde te Delft. In zijn eersten tijd schilderde hij meest portretter, daarna voornamelijk interieurs van kerken. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam, het Mauritshuis te 's Gravenhage, het Stedelijk Museum te Haarlem en het Museum Boymans te Rotterdam.

Vliet, Johannes van, een Nederlandsch latinist, geboren den 24Rte:1 April 1847 te Reeuwijk, studeerde te Leiden en promoveerde aldaar in 1874 tot doctor in de classieke letteren. Kort daarop werd hij benoemd tot rector aan het gymnasium te Zalt-Bommel, later te Assen en te Haarlem. Aan de Amsterdamsche hoogeschool liet hij zich als privaat-docent inschrijven voor de Indische taaien letterkunde. In Mei 1891 aanvaardde hij het hoogleeraarsambt in het Latijn en Sanskriet aan de universiteit te Utrecht. Daartoe aangezocht door den uitgever Teubner te Leipzig en gesteund door de Nederlandsche Regeering, vertrok hij m 1893 naar Italië tot voorbereiding van een nauwkeurige uitgave van de handschriften van Apulejus, die in 1897 verscheen. Hij was lid van de Société de linguistique de Paris, lid van het Provinciaal

Utrechtsch Genootschap en van de Maatschappij van Nederlandsche letterkunde. In 1900 benoemde de Koninklijke Academie hem tot haar medelid. Hij overleed den 17den Juli 1902. Van hem verscheen: „Studia critica in Dionysii Halicarnassensis opera rhetorica" (1874, academisch proefschrift) „Studia ecclesiastica. Tertullianus" (1891), „Trifolium latium" (1893), „Van de oude kerk" (1900); verder kritische uitgaven van „Apulejus" (1897), „Vergilius' Aeneis" (1894—1899) en van „Tacitus Historiae" (1900). Bovendien bijdragen in Mnemosyne en andere periodieken.

Vliet, Jacobus Leunis van der, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Zierikzee in 1815, was aanvankelijk apothekersbediende in zijn geboorteplaats en vervolgens uitgever en redacteur van het tijdschrift: „De Tijd", waarin hij talrijke bijdragen leverde. Ook schreef hij onderscheiden verhalen in „Het Leeskabinet". Verder schreef hij een bundel novellen onder den titel van „Jonge Juffrouwen" (1844) een ander onder dien van „Beelden en schaduwen" (1847), een „Levensschets van Z. M. Koning Willem Frederik, graaf van Nassau enz." (1844) en „Proza en Poëzie." Daarenboven gaf hij onderscheidene vertalingen uit het Engelsch en Duitsch in het licht. Hij schreef onder het pseudoniem Boudewijn en overleed te 's Gravenhage den Hden November 1851.

Vliet, Leonard van Woudrichem van, een Nederlandsch rechtsgeleerde, geboren te Rotterdam den llden Augustus 1820, werd in 1840 procureur bij

den Kaad van Justitie te ooerauaja, waai iag wtu in 1845 tot uitzetting uit Indië veroordeeld en vervallen verklaard van het recht tot uitoefening der praktijk. Daarna woonde hij te 's Gravenhage, maar werd in zijn eer geheel hersteld en vertrok in 1876 naar Batavia, om de betrekking van procureur te aanvaarden in het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch Indië te Batavia. Hij schreef: „Autocratie of het bij de rechterlijke macht aanhangige proces tegen de Javasche Bank" (1846), „Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche O. I. bezittingen" (l8te dl. 1846), „Crimineel proces ter zake van beweerden hoon en laster tegen de hooge Indische Regeering enz." (1846), „Mijn inhechtenisneming" (1846), „Indische rechtsbedeeling" (1846), „Iets over de brochure van den Schont-bijnacht (Arriëns" (1846),—„Nog iets over de Marine" (1846(, — „Bezuiniging, belastinghervorming enz. (1848), „De Hooge Raad der Nederlanden"

(1848), „Iets over het onderwijs op Java" (1848), „Schets eener grondwet enz." (1848), „Verkoop van Indische domeinen" (1848), „Een woord aan Neerlands gegoeden" (1848), „Brief over de verkiezing van een lid der Tweede Kamer in Gelderland enz."

(1849), „Indische belangen" (1850), „Beroep op recht en billijkheid" (1853), „Proeve van beantwoording der vraag; welken invloed moeten de laatste aard- en zeebewegingen in de Molukken geacht worden gehad te hebben op de productie der specerijen" (1853), „Over grondeigendom en heerendienstpligtigheid op Java" (1864), „Brief aan den hoogleeraar R. Dozy, het koloniaal vraagstuk ontvouwd en het ontwerp van cultuurwet beoordeeld" (1865), „Hervorming op Koloniaal gebied enz." (1866), „Thorbecke tegenover de cultuurwet" (1866), „Koloniale studiën" (4 stukken), „Thorbecke tegenover de uitbreiding van het kiesrecht"

Sluiten