Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1871) en „WestJava-koffie-cultuur-maatschappij enz." (1866—1871).

Vlietarp of Vlytarp, Johannes, secretaris van Martena, den laatsten potestaat van Friesland (1312), vond, naar men meent, te Stavoren de oude kroniek van OkJco van Scharl, welke hij vertaalde en voortzette. Een en ander is in 1597 te Leeuwarden in het licht verschenen onder den titel: „Chronyk ende beschryvinge van Friesland, beginnende met de schepping der wereld en eindigende na de geboorte Christi met den jare 1565, ende door Ockam Scarlensem zeer vlytiglyk, byeengeteekend, en ten tweedemaal door Johannes Vlytarp weder verbeterd en vernieuwd, gelijk ook ten derdemaal door Andream Cornelium Stavriensem zeer neerstelyk en getrouwelyk geschied is."

Vlietlanden. Zie Nederland.

Vlinderbloemigen, zie Papilionaceeën.

Vlinders, (Lepidoptera; een belangrijke orde van Insekten met een ringvormig borststuk, vliezige vóór en achtervleugels met veelal gekleurde, elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben en een volkomen gedaantewisseling. De door geleding zeer beweeglijke, dicht behaarde kop draagt veelledige draad- of borstelvormige, vaak ook knotsvormige, voorts gezaagde of kamvormige sprieten, groote, half-bolvormige, samengestelde oogen en somtijds twee enkelvoudige oogen, een kleine bovenkaak en onderlip en een roltong, die de plaats der onderkaken inneemt. Deze laatste is wel eens veel langer dan het lichaam van het diertje, en ook wel eens zeer kort. De kaaktasters zijn doorgaans zeer klein en alleen bij de motten sterk ontwikkeld, doch de liptasters daarentegen zeer groot, aan beide zijden van de roltong geplaatst, meestal dicht met schubben bezet; zij

ontspringen aan de zijden van een plaatvormige onderlip. Alleen bij de wijfjes van sommige geslachten blijven de vleugels onontwikkeld; van de vleugels onderscheiden zich de voorste door hun aanzienlijke grootte, terwijl zij geheel of gedeeltelijk met dakpansgewijs gelegen, op schubben gelijkende haren bedekt zijn, welke aan de vleugels hun eigenaardige teekening, kleur en glans verleenen. De schubjes zijn meestal fijn geribd of getand en met steelvormige worteltjes op het vleugelvlies vastgehecht. Dikwijls zijn de beide vleugels door borstels of haken verbonden. De pooten zijn dun en zwak, de schenen met sporen gewapend en de tarsen veelal vijfledig. Het achterlijf is, evenals de borst, dicht behaard en eindigt niet zelden in een aanzienlijken

h aarbundel. De geslachten zijn vaak door grootte, kleur en vleugelvorm van elkander onderscheiden. De mannetjes namelijk zijn met levendiger en prachtiger kleuren versierd en voeren wel eens strijd om de wijfjes. Somtijds behooren tot dezelfde soort, wijfjes van twee- of drieërlei gedaante, zoodat zij te voren als verschillende soorten werden beschouwd. Ook heeft men bij de vlinders meermalen parthenogenesis waargenomen. De larven, rupsen genaamd, zijn veelal fraai van kleur en uitwendig bekleed met haren, borstels, dorens, stekels, en horens; alleen die soorten, welke in hout, in wortels enz. en alzoo in het donker leven, zijn in den regel kleurloos en naakt. Aan haar groote, gehoornde, in twee zijdelingsche helften verdeelde koppen ziet men aan de onderzijde 5—6 puntoogen en dicht bij den bek zeer korte voelers. De bijtende monddeelen komen met die van de keverlarven overeen. Overal volgen op de drie paren kegelvormige pooten der borstringen nog 2—5 paar achterpooten. De larven nuttigen meestal plantaardig voedsel, bladeren en hout. Zij hechten vóór het verpoppen zich vast op veilige plaatsen of spinnen zich in tot poppen, waarin de ledematen van het toekomstig insekt zich dicht aansluiten aan het lichaam, terwijl zij te zamen door een hard, hoornachtig omkleedsel omgeven zijn. Uit deze pop komt na weinige weken of ook wel na den winter de vlinder te voorschijn, die in den regel slechts kort leeft en na de bevruchting en het leggen van eieren sterft. Slechts weinige vlinders blijven op veilige plaatsen den winter over. De geheele ontwikkeling duurt bij sommige soorten eenige weken, bij andere 6—9 maanden en bij nog andere eenige jaren. Door haar groote menigte worden de rupsen zeer nadeelig voor den plantengroei, en geen andere orde bezit zoo vele schadelijke soorten als deze. Daarentegen hebben geen larven van andere insekten zoo vele vijanden als die der vlinders. Men kent ongeveer 12- tot 15 000 soorten van vlinders, terwijl het bestaande aantal op 20 000 wordt geschat. Fossiele overblijfselen van vlinders heeft men alleen ontdekt in de tertiaire vorming, De verdeeling van Linnaeus in dag-, avond- en nachtvlinders heeft reeds lang plaats gemaakt voor een natuurlijk stelsel. Men onderscheidt: Microlepidoptera (KleineVlinders), zeer kleine, teedere insekten met meestal lange, borstelvormige sprieten. De rupsen van deze afdeeling hebben meestal 16 pooten, en de valsche pooten zijn rondom de zool voorzien van een krans van haakjes. Vele boren gangen in de bladeren, andere wikkelen ae bladeren op, nog andere leven in de knoppen en enkele in het water. De meeste verbergen zich bij dag. Tot deze afdeeling behooren de Lichtzoekers (Pyralida), de Bladrollers (Tortricida), de Motten (Tineada) en de Vedermotten (Plerophorida). Voorts heeft men de afdeeling der Macrolepidoptera (Groote Vlinders), en tot deze

rekentmen: de Dagvlinders(Papi7io»ida\de Avondvlinders of Sphinxen (Sphingidae), de Houtboorders (Xyloiropha), de Cheloniariërs (Zygaenida), de Spinners (Bombycida), de Nachtuilen (Noctuida) en de Spanners (Geometrida). Vele vlindersoorten prijken met de heerlijkste kleuren, ook inlandsche, zooals: de koninginnepage (Papilio Machaon) en de schoenlapper (Vanessa lo), Atalanta enz., terwijl andere soorten, bijv. de zijderups, den mensch groote voordeelen opleveren. Anderen

Sluiten