Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men verdeelt de voedingsmiddelen van den mensch d< in plantaardige (vegetabik) en dierlijke (amimale), d; de eerste bevatten hoofdzakelijk koolhydraten zs (graan, aardappelen en andere knolgewassen), ai slechts enkele zijn rijk aan eiwit (peulvruchten), pi de laatste (vleesch, eieren, melk, kaas) zijn betrekkelijk arm aan stikstoflooze stoffen en bevatten in gi de eerste plaats eiwit. Aan stikstoflooze stoffen be- d vatten zij vooral vet, bij uitzondering en in geringe k hoeveelheden ook suiker. De meeste stoffen wor- n den niet zoo in het lichaam opgenomen, doch on- v; dergaan door verschillende verteringssappen ver- t andering (zie Spijsvertering).

De waarde van een voedingsmiddel kan echter v niet alleen uit zijn chemische samenstelling beoor- b deeld worden, men moet nagaan, hoeveel van elke stof werkelijk in het lichaam opgenomen wordt. Door proefnemingen heeft men aangetoond, dat k bij vleesch, eieren en melk van het eiwit 1—S/0, bij z plantaardige stoffen daarentegen veel meer, bij witte I brood bijv. 9%, bij peulvruchten 17%, bij aardap- li pelen 30% het lichaam onverteerd verlaat, zoodat c het veel moeilijker is de behoefte aan eiwit door z plantaardig voedsel te voldoen, zonder het lichaam met een groote hoeveelheid koolhydraten te bezwaren, dan door dierlijk voedsel. Over de vraag, of dierlijk of plantaardig voedsel voor den mensch , de voorkeur verdient, is veel gestreden (zie Vege- i tarisme). De behoefte aan voedsel hangt van zeer J verschillende omstandigheden af, zooals leeftijd, geslacht, grootte, verrichte arbeid enz. Op grond van 1 waarnemingen van Mulder, Playfair, Liebig en an- 1 deren berekende Moleschott de dagelijksche hoeveelheid voedsel, gebruikt door een werkman in den bloei van zijn leven, op 130 gr. eiwit, 84 gr. vet en 404 gr. koolhydraten. Volgens Voit waren deze hoeveelheden 118 gr., B6 gr. en 600 gr. Deze getallen bevatten het maximum aan koolhydraten, daar een grootere hoeveelheid niet meer goed verteerbaar is, en het minimum aan vet, da,t wegens zijn lioogen prijs door de arbeidende klasse in een geringe hoeveelheid wordt gebruikt. Volgens nieuwere berekeningen heeft een man, die <0 kg. weegt op 1 kg. van zijn lichaam 1,5 gr. eiwit, 0,8 gr. vet en 7 gr. koolhydraten noodig. Voor een kind zijn deze cijfers relatief veel hooger, een 3-jarig kind heeft voor 1 kg. van zijn lichaam ongeveer 3,7 gr. eiwit, 3 gr. vet en 10 gr. koolhydraten noodig.

Tusschen voedingsmiddelen, die voor den bouw en in de instandhouding van het lichaam dienen en genotmiddelen, welke een aangename werking op het vaat- en zenuwstelsel uitoefenen, is de grens niet scherp te trekken, zoo bevat cacao, dat tot de genotmiddelen gerekend wordt, 12% eiwit, 13 j koolhydraten en 49% vet.

De voedingsmiddelen werken naar gela-ng van hun bestanddeelen verschillend op de spijsvertering en voeding, die eigenlijk scheikundige verrichtingen zijn. Het is alzoo duidelijk, dat de keus der voedingsmiddelen grooten invloed heeft op de stofwisseling. Die invloed strekt zich ook uit tot het zenuwleven, en het is algemeen bekend, welk een invloed een goede maaltijd op de stemmmg kan hebben. Slecht voedsel brengt ook verzadiging, maar het genot van deugdelijk voedsel tevens een bevrediging, die haar stempel drukt op den loop apin moed ziin de gevolgen

van een volkomen voeding; langdurig gebrek maakt

rion Tnoncpli mnpdplnnR 'i,■ if}inrti'r en zwak. Er wordt

dan ook algemeen aangenomen, dat ook de werkzaamheid van den geest in geen geringe mate van de voedingsmiddelen afhankelijk is. Wordt een bepaalde wijze van voeding geruimen tijd voortgezet, dan moet haar werking zich openbaren en blijft zij, gedurende eenige geslachten dezelfde, dan geeft zij daaraan een eigenaardig karakter. Waar men dit laatste bij geheele volksklassen opmerkt, daar kan men den invloed der voeding op den volksgeest waarnemen en het is duidelijk, dat het onderscheid tusschen de Hindoe's en de Gaucho's, tusschen de Engelsche machinisten en de Silezische wevers voor een deel althans op het verschil van voeding berust.

Voeding-swater. Zie Stoomketel. Voegwoorden of Conjuncties zijn in de taalkunde die onverbuigbare woorden, welke dienen om zinnen of zinsdeelen met elkander te verbinden. Men onderscheidt nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden, de eerste verbinden woorden of zinnen van gelijken rang, de laatste woorden of zinnen van ongelijken rang.

Voelhoorn. Zie Insekten.

Voelspriet. Zie Insekten.

Voerendaal, een gemeente in de provincie Limburg, 2238 H. A. groot met (1910) 2146 inwoners wordt begrensd door de gemeenten Heerlen, Simpelveld, Wittem, Wijlré, Klimmen en Hoensbroek. De bodem bestaat uit Limburgsche klei. De hoofdmiddelen van bestaan zijn landbouw en veeteelt, inzonderheid paardenfokkerij. Verder is er eenige nijverheid. Tot de gemeente behooren de dorpen Voerendaal en Ubachtsberg, verder eenige gehuchten.

Het dorp Voerendaal ligt in het N. van de gegemeente aan een beekje ten W. van het oude kas• teel Cortenbach. Men vindt er een Roomsch-Kal tholieke kerk.

Voerman, Jan, een Hollandsch schilder van bin3 nenhuizen, landschappen, vee en stillevens, werd ge3 boren te Kampen den 23"en Januari 1857 en is thans te Hattum woonachtig. In 1876 kwam hij 3 op de Rijks-Academie van Beeldende Kunsten te i Amsterdam; vier jaar later ging hij naar Antwery pen waar hij een jaar onder Verlüt werkte. Hij 7 maakt vooral veel opgang door zijn stemmige riviergezichten met prachtige wolkenluchten. \V erv ken van zijn hand bevinden zich in vele partin culiere verzamelingen hier te lande, p Voerstraal. Zie Ellips.

s Voet, het onderste uiteinde van 's menschen e been, wordt verdeeld in den voetwortel (tarsus), den /„ middenvoet (metatarsus) en de teenen. De eerste bestaat uit zeven korte, dikke beenderen, die echter ,n niet, zooals bij den handwortel, in twee dwarse rijen, e- maar gedeeltelijk boven en gedeeltelijk naast elkanr- der gelegen zijn. Het kootbeen (astragalus) ligt het is hoogst en is met het onderbeen door een geleding le verbonden. Daaronder ligt het hielbeen (calcaneus), 3t zich verder naar achteren uitstrekkend en de hak Ik (calx) vormend, waaraan de sterke Achillespees is in vastgehecht. Het schuitsgewijs been (os navtculare) e, ligt tusschen het hoofd van het kootbeen en de drie wigvormige beenderen, aan den binnenrand van den jp voet. Van de drie wigvormige beenderen (ossa euen neiformia) is het eerste en grootste met het middenkt voetsbeen van den grooten, het tweede en kleinste

Sluiten