Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met dat van den tweeden en het derde met dat van den derden teen verbonden. Het teerlingbeen (os cuboideum) ligt aan den buitenrand van den voet vóór het hielbeen en is verbonden van voren met het vierde en vijfde middenvoetsbeen. De vijf middenvoetsbeenderen (ossa metatarsi) zijn korte pijpbeenderen, in lengte eenigszins bolvormig naar boven gebogen. Daar zij niet in een horizontaal vlak naast elkander liggen, maar het eerste en vijfde middenvoetsbeen lager ligt dan het tweede, is de rug van den voet van voren naar achteren en van buiten naar binnen hol, terwijl ook de zooistreek in dezelfde richting hol is. De voetwortel en middenvoet vormen alzoo een soort van koepel, die bij het staan alleen met het hieluitsteeksel en de hoofdjes der middenvoetsbeenderen den grond aanraakt. Op dezen boog wordt de zwaarte van het lichaam door het scheenbeen (zie onder Been) overgedragen, en de boog wordt daardoor platter, iets, waarop men bij het vervaardigen van schoeisel gewoonlijk niet genoeg let.

De teenen, welke met de vingers overeenkomen geven aan den gang een ongemeene vastheid. De voet onderscheidt zich intusschen van de hand door het onvermogen om den grooten teen als een duim tegenover de andere teenen te plaatsen, om te grijpen en vast te houden. Toch weet men, dat de inboorlingen der keerkringsgewesten zich bij het beklimmen van boomen op uitstekende wijze van hun teenen weten te bedienen.

De voet is van ouds een natuurlijke lengtemaat. Deze is niet overal even lang. De Rijnlandsche voet is gelijk aan 0,3139465 Ned. el, — de Amsterdamsche aan 0,2830560 Ned. el, — de Engelsche aan 0,3047945 Ned. el, — en de Parijsche aan 0,3248393 Ned. eL De voet is verdeeld in duimen en de duim in lijnen.

Misvormingen van den voet. Zie Verkromming.

Voet, Gijsbert of Gisbertus Voetius, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Heusden den 3den Maart 1588, studeerde te Leiden, werd eerst predikant te Vlijmen en vervolgens te Heusden (1617) en toonde zich een heftig tegenstander der Remonstranten. Hij was lid der Algemeene Synode te Dordrecht in 1618 en werd in 1629 veldprediker in het leger van Frederik Hendrik voor 's Hertogenbosch. In 1630 werd hij naar laatstgenoemde stad afgevaardigd om de zaken te regelen der Hervormde Kerk, doch zijn overdreven ijver berokkende hem den haat der R. Katholieken. Hij noodigde de Kar tholieke geestelijken uit tot een twistgesprek, dat door verschillende vlugschriften van Cornelius Janssonius, hoogleeraar te Leuven, en van Voetius gevolgd werd. In 1634 werd Voetius benoemd tot hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de illustre school te Utrecht, welke twee jaar daarna tot een hoogeschool verheven werd. Hij deed vervolgens een reis naar Engeland, om de voornaamste godgeleerden te bezoeken, begaf zich naar Groningen, waar hij de doctorale waardigheid ontving en werd te Utrecht ook geroepen tot het gewoon leeraarsambt. Hij had door zijn steile rechtzinnigheid een grooten invloed op de Hervormde Kerk in Nederland. Hij overleed den lBten November 1676. Van de lange lijst van zijn geschriften zullen wij slechts enkele noemen, te weten: „Lacrymae crocodilli" (1627), „Thersites Heautontimorumenos" (1635), „Selectae disputationes theologicae V" (4 dln.,

1668—1669), „Politica ecclesiastica" (4 dln., 1663— 1676), „Exercitia pietatis" (1664), „Exercitatio de prognosticis cometarum" (1675), „Diatribe de theoIogia" (1668), „Catechismus over den catechismus der Remonstranten"(1641), „Theologisch advys over het gebruyk der Kerkelijke goederen", „Biegtboeksken der Christenen" (1664) en talrijke leerredenen.

Voet, Johannes, een Nederlandsch rechtsgeleerde, een zoon van den voorgaande, geboren te Utrecht den 34en October 1647, studeerde en promoveerde aldaar in de rechten en bekleedde het hoogleeraarsambt eerst te Herborn (tot 1674), toen te Utrecht (1681) en eindelijk te Leiden, waar hij gedurende dertig jaren werkzaam was. Hij onderwees bij het Romeinsche ook het hedendaagsche recht, was tot tweemaal toe rector magnificus en overleed den liaen September 1713. Van zijn geschriften vermelden wij: „De jure militari" (1670), „Compendium juris" (1683) en „Commentarius ad pandectas" (2 dln., 1698 en later bij herhaling).

Voet, Pauius, een zoon van den voorgaande, geboren te Heusden den 8sten Juni 1619, studeerde te Utrecht in de letteren, wijsbegeerte en rechten en werd eerst benoemd tot buitengewoon en in 1644 tot gewoon hoogleeraar in de metaphysica, logica, en het Grieksch, later ook in het burgerlijk recht. Hij overleed den leten Augustus 1667. Van zijn geschriften noemen wij: „Natae in Musaeum" (1665), „Notae in Herodianum" (1645), „De duellis licitis et illicitis" (1646), „Harmonia evangelica" (1654), „Theologia naturalis reformata" (1755), „De usu juris civillis et canonici in Belgio etc." (1657), „Jurisprudentia sacra" (1668) en „Oorspronck, voortganck en daeden der doorluchtige Heeren van Brederode" (1656).

Voet, Daniël, een Nederlandsch geleerde, een zoon van Gijsbert Voet, geboren te Heusden den 318ten December 1629, studeerde te Utrecht in de wijsbegeerte en geneeskunde, verwierf in beide vakken de doctorale waardigheid, werd er op 23-jarigen leeftijd buitengewoon en in 1656 gewoon hoogleeraar en overleed den 29Btea Juli 1660. Van zijn geschriften vermelden wij: „Compendium physicae", „Compendium metaphysicae", (1660), „Compendium pneumaticae" (1661), „Meletemata philosophica physiologica, sive de rerum natura libri VI" (1661) en „Disputationes variae".

Voet, Johannes Eusebius, een Nederlandsch dichter, geboren te Dordrecht in 1703, studeerde te Leiden in de geneeskunde en vestigde zich te 's Gravenhage, waar hij ambtenaar werd van 's Lands middelen en rechten. Hij onderscheidde zich als dichter van stichtelijke gezangen. Vele van zijn beroemde psalmen zijn door de commissie tot een verbeterde Psalmberijming opgenomen. Hij overleed te 's Gravenhage den 288tei> September 1778. Hij leverde o. a.: „Uitzicht op Nebo" (1747), „Stichtelijke gedichten" (4de druk, 2 dln., 1763), „Het boek der Psalmen" (1764), „Stichtelijke gezangen" (1767), „Nagelaten stichtelijke gezangen en mengeldichten" (1780) en verschillende stichtelijke werken in proza.

Voet, Jan Hendrik, een Nederlandsch krijgsman, geboren te Duisburg in 1758, trad als kadet in dienst bij de Nederlandsche artillerie, werd directeur van de militaire school te Zutfen en vervolgens te Amersfoort, zag zich inmiddels bevor-

Sluiten