Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vochtige gras- en veenlanden bedekte hoogvlakte, I waar men de hoogste verheffingen vindt. Deze zijn: \ de Taufstein (772 m.), de Sieben Ahorn (696 m.) en >

de Herchenhainer Höhe (732 m.). In het Oberwald ï of in zijn nabijheid ontspringen talrijke beken, zoo- 1 als de Nidda, de Wetter, de Ohm, de Schwalm, de ( Altefell en de Lüder. Het geheele gebergte bestaat ( uit een stelsel van straalvormig uit het midden voort e loopende ruggen, van welke zich en groot aantal I gaffelvormig verdeelt. Deze met bosch of gras be- 5 groeide ruggen dragen hier en daar basaltkoepels £ en gezamenlijk bestaan zij uit allerlei verscheiden- < heden van basalt, tuf enjpolijstlei; slechts op enkele i plaatsen vindt men trachietsoorten, maar veel ] trachietdoloriet. Verder heeft men er ijzererts en i aan den rand bruinkolen, schelpkalk en bonten zandsteen, zechsteen, roodliggend en steenkolen. Het klimaat is guur en koud en des winters valt er . veel sneeuw. De grond, uit verweerd basalt bestaande, is vruchtbaar, zoodat men er veel loofhout, inzonderheid beukenhout, aantreft, in de lager gelegen dalen heeft men uitmuntende bouw- en weilanden, terwijl in de hoogere streken de bevolking zich met de veeteelt bezig houdt. Het Vogelgebergte ligt hoofdzakelijk in de Hessische provincie OpperHessen, en alleen zijn uitloopers bereiken de Pruisische provincie Hessen-Nassau.

Vogelin, Salomon, een Zwitsersch staatsman en schrijver over de geschiedenis der kunst, geboren den 268'611 Juni 1837 te Zurich, studeerde aldaar, te Bazel, Heidelberg en te Berlijn in de godgeleerdheid en de kunstgeschiedenis, deed in 1862 een reis naar Italië en werd daarna beroepen tot predikant te Uster in het kanton Zurich. Toen in 1867 de democratische beweging in dat kanton uitbrak, trad hij als medeleider op en nain in 1868 deel aan het opstellen van de grondwet. Van 1869— 1874 maakte hij deel uit van den Kantonnalen Raad en van 1875 tot aan zijn dood van den Zwitserschen Nationalen Raad, waarin hij in schitterende redevoeringen de belangen zoowel van de arbeiders als van de kunst verdedigde. In 1870 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de kunst- en beschavingsgeschiedenis aan de hoogeschool te Zurich. Hij schreef: „Die Geschichte Jesu und der Ursprung der christlichen Kirche" (1867), „De Madonna von Loretto, eine kunstgeschichtliche Untersuchung" (1870), „Denkmaler der Weltgeschichte" (2 dln 1870—1878), „Die Holtzschneidekunst in Zürich im 16. Jahrhundert" (1879—1882), „Der Holbeintisch auf der Stadbibliothek in Zürich" (1878), „Das alte Zurich" (2ae druk, 2 dln., 1878— 1890), „Erganzungen und N achweisungen zumHoltzschnittwerk Hans Holbeins des Jüngern" (in dl. 2 en 5 van het „Repertorium für Kunstwissenschaft" (1879—1883) en „Das Leben Ludwig Vogels, Kunstmalers, von Zürich" (1881—1882). Hij overleed den 17ae* October 1888 te Zürich.

Vogelkers. Zie Kersenboomen.

Vogellijm (Viscum album), een altijdgroene woekerplant, welke men vooral op appel- en perenboomen en ook op populieren aantreft, behoort tot de familie der Loranthaceeën (zie aldaar) en dringt met haar wortels door in het hout. Aan den gaffelvormig verdeelden stengel groeien langwerpige, lederachtige, stompe bladeren, terwijl de kleine, ongesteelde bloemen, ten getale van 3—5, aan de toppen en aan de oksels der takken gezeten zijn.

De mannelijke bloemen hebben slechts éen, de vrouwelijke twee vierslippige bloembekleedsels van een geelgroene kleur. Aan de binnenzijde van iedere slip vindt men bij de eerste een ongesteelden helmknop, die zijn stuifmeel door talrijke poriën ontlast. De slippen der vrouwelijke bloemen rusten op een éenhokkigen eierstok, die éen eitje bevat en in een bolvormige, witte bes overgaat, die een taai vocht bevat en door sommige vogels zeer gezocht wordt. De verspreiding van deze plant schijnt dan ook door de vogels te geschieden, daar deze in hun uitwerpselen zaadkorrels op de boomtakken achterlaten. Het sap der bessen bevat een kleverige stof, viscine genaamd, en levert de bekende vogellijm.

Vogelmest. Zie Guano.

Vogelnesten, Eetbare. Zie Nesten en Salangaan.

Vogelperspectief of Vogelvlucht noemt men een wijze van voorstelling van een stad of van een landstreek, gezien uit een punt, dat loodrecht boven de plek, die men wil afbeelden, is gelegen. Vanhier overziet men het geheel en tevens de afzonderlijke deelen, daar het eene voorwerp het andere niet verbergt. Het vogelperspectief wordt vooral gebezigd voor militaire schetsen en teekeningen.

Vogelpootje (Omithopus) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Vlvnderbloemigen (Papilionüceae). In ons land groeit alleen bet kleine vogelpootje (O. perpusillus), een éénjarig plantje van den open zandgrond, dat van Mei tot Augustus bloeit. Het wordt 1—1 .dm. hoog en bestaat uit liggende stengels en bladeren, in een kring om den wortel geplaatst. De bladeren zijn oneven gevind en samengesteld uit 15—25 ovale, stompe blaadjes. De kleine, witte, haif rozenroode bloemen zijn aan de toppen der takken ten getale van 5—7 tot schermen vereenigd en ieder van deze wordt door gevind schutblad geschraagd. De steunblaadjes zijn zeer klein en de peulen 12—18 mm lang.

Vogels (Aves) zijn dieren met rood en warm bloed, een hart met 2 kamers en 2 boezems, twee vleugels, twee pooten en veeren, terwijl zij eieren leggen, die door hen worden uitgebroed. Door deze eigenaardigheden vormen de vogels een afzonderlijke klasse van de type der Gewervelde Dieren. De bouw van hun lichaam komt in hoofdzaak met dien van t de reptielen overeen; er bestaan echter belangrijke r afwijkingen in verband met hun leefwijze. De vogels ' hebben een eigenaardigen lichaamsvorm. Borst en

- buik vormen bij hen een eivormige massa, welke

- door twee pooten wordt gedragen. De ronde kop, ï van een min of meer langen snavel voorzien, rust ' steeds op een langen hals, die minstens negen, maar

- ook wel eens meer dan twintig wervels telt en een ï groote bewegelijkheid bezit. Onder het achterhoofdsgat komt slechts één gewrichtsknobbel voor. Hals en romp gaan in elkander over, de halswervels

e dragen rudimentaire overblijfsels van ribben en de

- ribben van de eerste rugwervels reiken niet tot aan t het borstbeen. Er zijn 6—10 rugwervels, die alle t voorzien zijn van ribben. De ribben zijn door een i- afzonderlijk been aan het borstbeen verbonden. De

staart is klein, althans wat het geraamte en de spie\ ren betreft, want wat men bij de vogels den staart n noemt, bestaat uit de staartvederen. De voorste ï. ledematen zijn herschapen tot vleugels (zie aldaar).

Sluiten