Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De huid wordt nooit dik en stevig; zij is bedekt met veeren (zie aldaar), die met de haren van de zoogdieren vergeleken kunnen worden. Op sommige plaatsen blijft de huid naakt, bijv. aan den snavel en op de teenen, meestal ook op den loop van de pooten, bij sommige vogels ook aan den hals (gieren) en zelfs aan den buik (struisvogels). Bij het begin van den snavel is de huid week (washuid), aan de randen meest hoornachtig. Enkele vogels (eenden, snippen) hebben weeke snavelranden, die dan vele zenuwen bevatten en daardoor een fijn tastwerktuig vormen. De voetwortels en de teenen, soms ook de loop, zijn met hoornachtige schubben bedekt. Aan de teenen zitten platte of gekromde nagels. De meeste vogels hebben boven de laatste staartwervels een olie-afscheidende klier, die inzonderheid bij de zwemvogels dient om de veeren ondoordringbaar voor water te maken. Het geraamte van den vogel is zeer geschikt voor het vliegen. Terwijl de beenderenmassa zelf zeer sterk en dicht is, is het merg, dat bij jonge vogels aanwezig is, bij oudere verdwenen, de daardoor ontstane ruimten zijn met lucht gevuld (pneumatisch). Door luchtzakken staan zij met de longen in verbinding. Bij groote, goed vliegende vogels zijn alle beenderen, met uitzondering van het jukbeen en het schouderblad, hol, bij de groote loopvogels alleen enkele schedelbeenderen. Meestal bevatten ook het benedendijbeen en de voorarm merg. De schedelbeenderen vergroeien reeds vroeg tot een hersenkas, waarbij geen spoor van naden overblijft. In het algemeen is de vogelschedel rond en de hersenkas betrekkelijk grooter dan bij de kruipende dieren. De oogholten, aan weerszijden van den kop gelegen, zijn doorgaans zeer groot en niet altijd geheel gesloten, de oogappels zijn voorzien van een eigenaardig waaiersgewijs gevouwen vlies, het knipvlies (rnembranum nictitans) genaamd. Hun gehoorwerktuig is eenvoudig en het uitwendige oor ontbreekt. In den bovensnavel bevinden zich de neusgaten, tanden ontbreken, de hoornachtige scheeden, die de scherpe randen der kaakbeenderen bedekken, zijn gewoonlijk zeer scherp en soms kamvormig getand.Omdat de aard van den snavel in het nauwste verband staat met het voedsel van den vogel, hebben de dierkundigen voor de Massificatie- op dat lichaamsdeel bijzonder de aandacht gevestigd. De eenvoudigste vorm daarvan is die van een kegel of van een pyramide met min of meer scherpe kanten. Van den langen ooievaarsbek tot aan den korten, kegelvormigen snavel van den kernbijter en den dunnen snar vel van de kolibri vindt men allerlei soorten van kegelvormige snavels. Door een sterkere kromming, een haakvormige punt aan den bovensnavel en de scherpte der zijdelingsche deelen gaat de kegelsnavel allengs over in den roofvogelsnavel, dien men het sterkst ontwikkeld ziet bij valken en uilen. Somtijds vindt men aan deze roofvogelsnavels een zijdelings uitspringend, scherp uitsteeksel, dat men met den naam van tand bestempelt. Soms zijn de zijdelingsche deelen breeder, zooals bij den snavel van ganzen en zwanen. Dikwijls ook dient de snavel tot steun bij het klauteren, zooals bij de papegaaien. Het bovenste deel van den snavel is dan sterk gekromd en tevens zeer poreus.

Het borstbeen vormt met den schoudergordel een sterken toestel voor de spieren, die voor het vliegen dienen. De schoudergordel bestaat uit het lange,

smalle schouderblad, en uit 2 sleutelbeenderen, het ravenbeksbeen en het vorkbeen. Het is doorgaans een breede plaat, die zich tusschen de ribben bevindt en zich zoo ver naar achteren uitstrekt, dat de ingewanden van den buik er grootendeels op rusten. Alleen bij de loopvogels, die niet kunnen vliegen, is deze plaat schildvormig en gelijkmatig gewelfd. Bij alle overige draagt zij op de middellijn een kam, waaraan de vleugelspieren aan beide zijden zijn vastgehecht. Die kam is betrekkelijk klein bij de kolibri's, en bij onze huiszwaluwen en duiven het sterkst ontwikkeld. De borstbeenplaat is bij de beste vliegers geheel gaaf en dicht, maar bij andere vogels, bijv. bij de hoenders, sterk uitgesneden en ook wel eens met gaten doorboord. De achterpooten zijn met het lange bekken,dat van voren open is, verbonden. Al de beenderen van het bekken zijn met elkander vergroeid. Het opperdijbeen is kort en krachtig, het scheenbeen is lang, het kuitbeen is rudimentair. Een deel van den voetwortel en een deel van den middelvoet zijn vergroeid tot het loopbeen. De voet bestaat uit twee, drie of vier teenen, bij wier rangschikking en verbinding men een groote verscheidenheid opmerkt. Elke teen bestaat uit 2— 6 leden. Dikwijls bevindt zich de duim met de overige teenen niet in hetzelfde vlak; somtijds raakt hij den grond niet of slechts even aan en somtijds rust hij in zijn geheel op den grond. Gewoonlijk is deze duim naar achteren gekeerd, maar bij sommige vogels, bijv. bij de gierzwaluw, tegelijk met de overige teenen naar voren gekeerd. Men onderscheidt klimvoeten, bij welke 2 teenen naar voren en 2 naar achteren zijn gekeerd, zooals bij de spechten en papegaaien, terwijl eenige vogels, zooals de koekoek, een achterteen naar willekeur naar achteren en naar voren kunnen wenden. De Afrikaansche struisvogel heeft geen achterteenen en slechts twee voorteenen. Bij alle tot nu toe vermelde soorten zijn de teenen volkomen vrij of slechts aan de basis door en vlies vereenigd. Daar intusschen het aantal vogels met drie naar voren gerichte teenen zeer groot is, heeft men ook hier weder nieuwe verdeelingen gemaakt. Waadpooten noemt men zoodanige, wier scheenbeen slechts gedeeltelijk met vederen bekleed is; de steltloopers, zooals reigers en ooievaars, hebben waadpooten. Loopbeenen daarentegen zijn zulke, waarbij het scheenbeen geheel met vederen bedekt is, en men noemt deze voeten gespleten wanneer de teenen geheel gescheiden zijn, zitvoeten, wanneer de voorteenen aan de basis door een vlies zijn verbonden, wandelvoeten, wanneer de midden- en buitenteen zijn samengegroeid, en loopvoeten, wanneer deze samengroeiing zich verder uitstrekt dan het midden der teenen, zooals bij den ijsvogel. Bij de watervogels zijn de teenen door een zwemvlies verbonden; men onderscheidt hier gelobde voeten, wanneer de teenen slechts door breede, zijdelings ingesneden huidlobben zijn omzoomd, zooals bij de waterhoenders, zwemvoeten, wanneer enkel de drie naar voren gerichte teenen door een zwemvlies vereenigd zijn, terwijl de achterteen vrij is of ontbreekt en roeivoeten wanneer ook de duim naar voren gekeerd en met de overige teenen door een gemeenschappelijk zwemvlies verbonden is.

De tong van de vogels is zeer verschillend gevormd, bij roofvogels en papegaaien is zij bijv. breed en week, bij insekten- en zaadetende vogels

Sluiten