Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harder en smaller. Soms is zij met papillen bezet. Bij de specht draagt de spits hoornachtige haaktanden en kan de tong ver uitgestoken worden. De slokdarm is bij roofvogels en sommige zaadeters tot een krop verwijd, waarin de spijzen geweekt en eenigszins verteerd worden. De maag bestaat uit 2 afdeelingen, de kliermaag, die een voortzetting van den slokdarm, is en de spiermaag, die inzonderheid bij zaadeters het voedsel fijnmaakt. De dunne darm is gewoonlijk 3—4 maal zoo lang als het lichaam; aan den dikken darm zitten gewoonlijk 2 langere of kortere blinde darmen. De endeldarm mondt uit in de kloaka, die ook de urine en de geslachtsstoffen opneemt. De stofwisseling geschiedt veel intenser dan bij de zoogdieren. De temperatuur bedraagt bij vele vogels 43°. Het middenrif is weinig ontwikkeld. Bijna alle vogels (ooievaars, struisvogels en eenige soorten gieren) zijn in het bezit van een tweede strottenhoofd, dat vooral bij de zangvogels bijzonder ontwikkeld is en tot het voortbrengen van tonen dient. De longen staan in verband met luchtzakken, die weder met de holle ruimte in de beenderen samenhangen. De luchtzakken dienen in de eerste plaats om de lucht in de longen te ventileeren.

Alle vogels leggen eieren, in de koude en in de gematigde zone broeden zij meestal eenmaal, in de warme luchtstreken meermalen. Sommige vogels, o. a. kleine zangvogels broeden ook bij ons meer dan eens. Door inwerking van den mensch o. a. bij de hoenderen, ontstaan hierin afwijkingen. Gewoonlijk leggen kleine vogels meer eieren dan grootere, echter niet altijd, de kolibri legt bijv. 2—3, de struisvogel 15—20 eieren 1 Meestal broeden de vogels de eieren zelf uit, sommige soorten verbergen ze in een rottende massa, die de noodige warmte levert. De broedtijd is zeer ongelijk, de kleinste vogels broeden ongeveer 11 dagen, de kip 21 dagen, de struisvogel 7 weken. De jongen van sommige vogelsoorten komen reeds zoo volkomen uit het ei, dat zij weldra de moeder kunnen volgen en zelf hun voedsel bunnen nemen, deze voeels noemt men nestvlie-

ders. De nestblijvers daarentegen komen geheel of bijna geheel naakt uit het ei en worden door de ouders gevoed, tot zij kunnen vliegen.

De leefwijze van de vogels staat in nauw verband met hun vliegvermogen. Goede vliegers zijn dikwijls bijna uitsluitend luchtdieren en zoeken alleen een vasten bodem om te slapen en om te broeden. De op het land levende vogels huppelen, klimmen, stappen of loopen dikwijls zeer snel, watervogels zwemmen en duiken voortreffelijk. De ontwikkeling van de vogels is veel hooger dan die van de reptielen en ook hooger dan van vele zoogdieren. Hun zintuigen, zijn over het algemeen zeer scherp.

De vogels paren gewoonlijk in de lente of in den zomer en leven meestal paarsgewijs. Bij sommige soorten heeft het mannetje in den paartijd een fraai vederkleed. Gewoonlijk worden de nesten (zie aldaar) door de wijfjes gemaakt, terwijl de bouwstoffen door mannetjes aangebracht worden. Ook het broeden wordt meestal door het wijfje gedaan, terwijl het mannetje voor het voedsel zorgt. Bij sommige soorten wisselen beide geslachten elkander bij het broeden af, bij de kiwi-kiwi en den struisvogel broedt het mannetje.Sommige koekkoeksoorten leggen haar eieren in nesten van andere vogels, die dan'de jongen uitbroeden en verzorgeni

Vogels, die het geheele jaar in de gewesten blijven, waar ze zijn uitgebroed, noemt men standvogels. De meeste vogels der koude en gematigde luchtstreek trekken in den herfst naar warmere landen en dragen den naam van trekvogels (zie aldaar), terwijl vogels, die zonder hun land te verlaten in allerlei richtingen, meestal in groote troepen, rondzwerven om voedsel te zoeken, strijk- of zwerfvogels heeten. De meeste vogels gaan met zonsondergang ter rust om bij het aanbreken van den morgen te ontwaken, doch er zijn ook nachtvogels, zooals uilen en geitenmelkers. Voor hun geografische verbreiding geldt de algemeene wet, dat het aantal geslachten en soorten vermindert naar de zijde der polen, dat de zeeën rondom de polen met haar kusten in het bezit zijn van onderscheiden soorten, en dat men te meer verscheidenheid van vormen opmerkt naar mate men dichter nadert tot den evenaar. Al is ook geen vogelsoort bekend, die overal gevonden wordt, toch zijn sommige soorten over groote oppervlakten verspreid, terwijl eenige geslachten in alle werelddeelen te vinden zijn. In de koude landen heeft men vooral watervogels, en

tusschen de keerkringen hebben de landvogels, bepaaldelijk de graan- en insekteneters, de overhand, terwijl men roofvogels overal aantreft, doch de aaseters nagenoeg uitsluitend in de warme streken. Voor een voorwereldlijke geschiedenis der vogels zijn slechts weinig bouwstoffen voorhanden. Als oudsten vorm kent men den Archsopteryx uit de Juravorming, verder kent men eenige soorten uit de Noord-Amerikaansche krijtvorming (Odontornithen) wier kaken van talrijke tanden voorzien zijn en alzoo op die der kruipende dieren gelijken, den Ichthyornis en den Hesperornis. Het krijt heeft voor 't overige zwem- en moerasvogels geleverd. In het tertiaire tijdperk komen overblijfselen van vogels in grootere hoeveelheid voor, maar zij zijn niet voldoende voor een meer nauwkeurige bepaling. Daarentegen vindt men in het diluvium talrijke typen van thans levende nestblijvers, alsmede reusachtige vogelvormen, van welke sommige in het tegenwoordig tijdperk uitgestorven zijn.

De verdeeling der vogels in geslachten en soorten is zeer willekeurig en tengevolge daarvan ook zeer verschillend bij onderscheiden geleerden. Linnaeus verdeelde hen in zes orden, namelijk die der Roofvogels, Raven, Zwemvogels, Loopvogels, Hoenderachtige vogels en Muschachtige vogels. Na dien tijd zijn daarin velerlei veranderingen gebracht, zoodat bijna elkeornitholoog ereen afzonderlijk stelselop nahoudt. Een veel voorkomende indeeling in 16 orden is de volgende:

1. Orde: Papegaaien (Psittaci Sundev.) met een sterk gekromden bovensnavel, die meer kort is dan hoog, aan de basis van een washuid voorzien, bij en dwarse insnijding beweegbaar met den schedel verbonden, met een afgeknotten ondersnavel, een dikke envleezige tong, tot aan den hiel bevederde schenen, met netvormig vereenigde plaatjes bedekte loopbeenen, aan de basis verbonden middenteenen en naar achteren gekeerden binnen en buitenteen.

2. Orde: Koekoekvogels (Coccygomorphae Huxl.) met een langen snavel, somtijds beweegbaar met den schedel verbonden, een kleine, platte tong, lange vleugeldekveeren, de schenen meestal tot aan den hiel met veeren bekleed, met netvormig vereenigde

Sluiten