Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaatjes bedekte loopbeenen, met aan de basis verbonden of vrije middenteenen, den buitensten of binnensten teen willekeurig naar voren of naar achteren of steeds naar één zijde gewend, of den tweeden teen met den buitenteen naar achteren gekeerd.

3. Orde: Spechten (Pici Sundev.) met een rechten, kegelvormigen snavel zonder washuid, een dunne, tot uitsteken geschikte tong, korte vleugeldekvederen, tot den hiel bekleede schenen, van voren met een rij van dwarse schilden bedekte loopbeenen, aan de basis verbonden middenteenen, een kleinen, naar achteren gekeerden binnenteen en een naar achteren gewenden buitenteen.

4. Orde: Zeilers (Macrochires Nitzsch) met platten snavel, die meer breed is dan lang, met een wijde spleet of een buisvormige verlenging, een voorarm en hand, die veel langer zijn dan de bovenarm, vleugeldekvederen, die de slagpennen bedekken, vederbedekking op de schenen en het bovenste gedeelte van de gangpooten, nagenoeg geen of in het geheel geen schilden op het loopbeen, zwakke voeten, den binnenteen naar achteren of naar voren, of als keerteen willekeurig naar een van deze zijden gericht.

5. Orde: Muschachtige vogels (Passerinae Nitzsch) met verschillend gevormden snavel zonder washuid, korte vleugeldekveeren, de schenen tot aan den hiel met veeren bekleed, de loopbeenen met plaatjes bedekt, den binnenteen, die sterker en langer is dan de tweede teen, naar achteren gekeerd, de beide buitenteenen over het eerste lid verbonden en de luchtpijp voorzien van een zingtoesteL

6. Orde: Roofvogels (Raptatores) met min of meer gekromden snavel, een haakvormigen, langeren bovensnavel, een washuid, tot aan den hiel bevederde schenen, soms gedeeltelijk bevederde loopbeenen, die echter doorgaans met plaatjes of schilden bedekt zijn, naar achteren gekeerden binnenteen en sterke, gekromde klauwen aan de teenen.

7. Orde: Duiven (Gyrantes Bonap.) met een rechten, samengedrukten snavel, op het gewelfde bovengedeelte met een hoornachtige scheede bedekt, geen uitpuilende snavelranden, de basis met een zacht vlies bekleed, waarin onder een klep de neusgaten zijn geplaatst, de schenen en wel eens het bovengedeelte der loopbeenen (zelden dus geheel en al) bevederd, de loopbeenen aan de voorzijde met korte dwarsplaatjes bedekt en aan de achterzijde netvormig geteekend of naakt, met een kleineren, naar achteren gewenden binnenteen en verbonden of vrije voorteenen.

8. Orde: Scheervogels (Rasores lil.) met een snavel, die zelden langer is dan de halve kop, met een koepelvormigen nagel aan de punt, uitpuilende randen, een basis met harde neuskleppen en een kleine, zachte washuid, korte, gewelfde, vleugels, meestal geheel gevederde schenen, loopbeenen, die van voren met korte halve ringen, van achteren met zeshoekige plaatjes en somtijds met veeren bedekt zijn, een kleinen, hooger dan de voorste geplaatsten achterteen, die ook wel ontbreekt, en platte, stompe nagels.

9. Orde: Kortvleugeligen (Brevipennes Dum.) met een meestal platten snavel, een uitstekenden bovensnavel met een zijdelingensche groef, waarin zich, ver naar voren, de neusgaten bevinden, een langen hals, gebrekkige vleugels, weeke slagpennen, welke tot vliegen ongeschikt zijn, aan het boveneinde dik¬

ke, bevederde schenen, verlengde loopbeenen, van voren met halve ringen en van achteren met kleine schilden bedekt, betrekkelijk kleine teenen ten getale van 4, 3 of 2 en breede, platte nagels.

10. Orde Stellloopers (Grallae Bonap.) met een slanken snavel, duidelijk van den kop te onderscheiden of dik en korter dan de kop, aan de basis met een weeke huid en aan de punten met hoorn bekleed, gewoonlijk met langen hals, goed ontwikkelde vleugels, lange schenen, waarvan het onderste gedeelte doorgaans onbevederd is, verlengde loopbeenen met dwarsschilden of plaatjes of ook netvormig geteekend met een kleinen achterteen en verbonden, met lobben voorziene of vrije voorteenen.

11. Orde: Ooievaars (Ciconiae Bonap.) met een snavel, die aan de basis zoo hoog en breed is als de kop, maar tevens langer dan deze, hoornachtig aan de basis, zonder washuid, in de oogstreek of wel over den geheelen kop naakt of met eigenaardige veeren bedekt, met verlengden hals en pooten, matig lange vleugels, aan het onderste gedeelte onbevederde schenen, loopbeenen van voren en van achteren netvormig geteekend of van voren met dwarse plaatjes voorzien, met een den grond rakenden, langen achterteen en voorteenen met een breed bindvlies.

12. Orde: Tandsnaveligen (Lamellirostres Cuv.) met een snavel zoo lang ais de kop, bekleed met een week vlies en alleen aan de punt hard, terwijl de randen van dwars uitstekende hoornplaatjes zijn voorzien, een vliezige tong, meestal aan den zoom dwars getand, met middelmatig lange vleugels, voorzien van talrijke slagpennen, met middelmatig lange schenen, tot aan het naakte hielgewrichtgevederd, meestal korte loopbeenen, met voorteenen, die door zwemvliezen verbonden zijn, en een naar achteren gekeerden binnenteen.

13. Orde: Roeivoetigen (Steganopodes lil.) met verschillend gevormden snavel, met een bovensnavel, die gegroefd is aan den rand, waarin de kleine neusgaten geplaatst zijn, met lange, spitse vleugels, tot aan het hielgewricht bevederde schenen, met korrels bedekte loopbeenen en met een naar binnen gekeerden achterteen, zoodat alle teenen door volkomen zwemvliezen verbonden zijn.

14. Orde: Langvleugeligen (Longipennes Cuv.) met een zijdelings samengedrukten snavel en een hoornachtigen haak, spleetvormige of tot buizen verlengde neusgaten, lange, spitse vleugels, korte slagpennen, tot aan het hielgewricht bevederde schenen, vrij hooge loopbeenen, met korrels of schilden bedekt, door een zwemvlies verbonden voorteenen en een kleinen, naar achteren gewenden binnenteen, die ook wel ontbreekt.

16. Orde: Duikers (Urinatores Cuv.) met een samengedrukten, harden, spitsen snavel, korte vleugels, die slepend, sikkelvormig en wel eens in plaats van met vederen met kleine schubben bedekt zijn, ver naar achteren geplaatste pooten, tot dicht bij het hielgewricht onder de huid gelegen schenen, korte, krachtige gangpooten, met korrels of gedeeltelijk met plaatjes bedekt, met door zwemvliezen verbonden voorteenen en een naar achteren gekeerden binnenteen, die wel eens ontbreekt.

Tegenwoordig gaat men bij de verdeeling meer uit van den bouw van het geraamte. Men is echter nog niet tot een natuurlijke indeeling gekomen. Gewoonlijk verdeelt men de vogels eerst in 2

Sluiten