Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

droog en warm en in het voor- en najaar veranderlijk. De belangrijkste voortbrengselen zijn tarwe, haver, rogge, gerst, veel aardappelen, peulvrucht, vlas, hennep, koolzaad, wijn, ooft, hop en tabak, alsmede allerlei soorten van vee. De nijverheid is van veel belang, vooral de katoennijverheid, verder de wol- en zijdespinnerij, de vervaardiging van kant, van metalen voorwerpen, van machines, spijkers, ketens, klokken, papier, glas, aardewerk, aardappelmeel, beetwortelsuiker, bier, leder enz. Men vindt er 6 colléges. Het departement is verdeeld in 5 arrondissementen, en heeft Epinal tot hoofdstad.

Voggenhuber, Vïlnia von, een Hongaarsch operazangeres, geboren te Boedapest den 17 d e 11 Juli 1845, ontving onderricht van Stoll en trad in 1863 in den hongaarschen nationalen schouwburg onder veel bijval op. Twee jaar later werd zij aan de Duitsche opera te Berlijn verbonden, vervulde o. a. gastrollen te Berlijn, Hannover en op andere plaatsen. Gedurende een seizoen was zij aan de Duitsche opera te Rotterdam verbonden. In 1876 kreeg zij den titel „Königliche Kammersangerin." Zij was gehuwd met den operazanger Krolop en overleed te Berlijn den llaen Januari 1888.

Voghera, de hoofdstad van de Italiaansche provincie Pavia, ligt 95 m. boven den zeespiegel, op den linker oever van de Staffora en aan de spoorwegen van Genua naar Milaan en van Parma naar Alessandria. Men vindt er 2 kerken, een lyceum, een gymnasium, een technische school, een landbouwschool, een bibliotheek, een krankzinnigengesticht enz. Het aantal inwoners bedraagt (1901) 13 102, van de gemeente 20 661. Er is veel nijverheid, vooral zijdeindustrie, katoenweverij en boekdrukkerij, en handel. De door Gdteozzo Viscwtii in 1372 aangelegde vestingwerken zijn thans fraaie wandelingen. .

Vogl, Johann Nerpomuh, een Duitsch dichter, geboren te Weenen den laen Februari 1802, werd in 1819 geplaatst in de kanselarij van de Landstanden van Beneden-Oostenrijk, maakte zich vooral bekend als lyrisch dichter en als dichter van balladen en overleed te Weenen den 16dcn November 1866. Van zijn talrijke werken noemen wij: „Balladen und Romanzen" (3 verzamelingen, 1835, 1837, 1841, volledige uitgave 1846), „Lyrische Blatter" (1836, 2de druk, 1844), „Novellen" (1837), „Volksmarclien" (1837), „Klange und Bilder aus Ungarn" (1839, 3de druk, 1848), „Neueste Dichtungen" (1844), „Schatten" (1844), „Domsagen" (1855, 4de druk, 1853), „Aus der Tiefe" (1849, 2ae druk, 1856), „Deutsche Lieder" (1845), „Soldatenlieder" (1849, 3de druk, 1856), „Schnadahüpflein" (1850) „Marko Kralevits" (1851), „Blumen" (1852, 2de druk, 1857), „Passiflore, ein Sagenzyklus" (1854), „Neue Gedichte" (1856), „Aus dem Kinderparadies" (1861, 2de druk, 1865), „Twardowski, der polnische Faust" (1861), „Schenken- und Kellersar gen" (1858), en „Aus dem alten Wien" (1865). Verzameld verschenen „Lyrische Gedichte, Balladen und Erzahlungen" (1902).

Vogler, Georg Joseph, bekend onder den naam van abt Vogler, een Duitsch componist, geboren te Würzburg den 15den Juni 1749, werd op kosten van keurvorst Karl Theodor in Italië voor de muziek opgeleid, studeerde er tevens in de godgeleerdheid en ontving de priesterwijding, waarna hij protonotarius en kamerdienaar van den paus werd, zag

uil VA uiicwniui^vn lil

Vogler, Georg Joseph, bekend onder den naam

Kt*ui vuiöt mti (/ -

opgeleid, studeerde er tevens in de godgeleerdheid

, • i nrooma V>ü nrnfnnri-

zich in 1775 benoemd tot hofkapelaan en tweeden kapelmeester te Mannheim, later te München, begaf zich in 1783 op reis, was van 1786—1799 kapelmeester te Stockholm, leidde daarna een zwervend leven, ontving in 1807 een aanstelling tot kapelmeester te Darmstadt en overleed aldaar den 6den Mei 1814. Ofschoon hij in zijn tijd veel naam had, had hij noch als componist, noch als muziekkenner een groote beteekenis. Zijn werken zijn vergeten. In het mechanisme van het orgel bracht hij eenige verbeteringen aan. Weber en Meijerbeer behooren tot zijne leerlingen.

Vogt, Karl, een Duitsch natuurkundige, geboren den 5den Juli 1817 te Gieszen, studeerde aldaar in de geneeskunde en werkte in het laboratorium van I/iébig, volgde in 1835 zijn vader naar Bern en hield zich hier hoofdzakelijk bezig met anatomische en physiologischc studiën. Sedert 1839 nam hij te Neufchatel deel aan de wetenschappelijke werkzaamheden van Desor en Agassiz, vooral aan het gletscheronderzoek van laatstgenoemde, terwijl hij de uitgave bezorgde van het eerste en van een groot gedeelte van het tweede deel van diens „Histoire natureEe des poissons d'eau douce". Verder schreef hij: „Untersuchungen über die Entwickelungsgeschichte der Geburtshelferkröte"1842, „Tm Gebirg und auf den Gletscliern" (1843), „Lehrbuch der Geologie und Petrefaktenkunde" (2dln., 1846) en ,Physiologische Briefe" (1845—1846). Nadat hij van 1844 tot 1846 te Parijs had vertoefd, begaf hij zich naar Italië, doch aanvaardde in 1847 een hoogleeraarsambt te Gieszen. In 1848 werd hij afgevaardigd naar het Voor-Parlement en naar de Nationale Vergadering, waar hij tot de uiterste linkerzijde behoorde. Hij was een van de welsprekendste redenaars van het Parlement. Hij volgde het Parlement naar Stuttgart en werd er lid van het Rijksregentschap. Daardoor verloor hij zijn betrekking te Gieszen, woonde vervolgens tot 1850 te Bern, daarna in 1851 en 1852 te Nizza, waar hij zich met het onderzoek der zeedieren bezig hield, en vertrok in 1852 als hoogleeraar in de geologie naar Genève, waar hij weldra ook hoogleeraar in de dierkunde werd. Later werd hij er ook tot lid van den Grooten Raad en van de Eedgenootschappelijke Vertegenwoordiging gekozen, in 1878 werd hij Zwitsersch nationaalraad. Hij was een ijverig voorstander van het materialisme, later van het Darwinisme. In 1861 stond hij aan het hoofd van een expeditie naar de Noordkaap, waarvan hij verslag gaf in zijn ,,Nordfahrt"(1863). Eindelijk vermelden wij van zijn geschriften nog de volgende: „Zoologische Briefe (2 dln., 1851), „Ozean und Mittelmeer" (2 dln., 1848), „Bilder aus dem Tierleben" (1852), „Untersuchungen über Tierstaaten" (1851, later uitgegeven onder den titel: „Altes und Neues aus dem Tierund Menschenleben" (2 dln., 1851), „Köhlerglaube und Wissenschaft" (1855 4de druk, 1856), „Die künstliche Fischzuclit" (1859, 2d° druk, 1875), „Grundrisz der Geologie" (1860), „Vorlesungen über den Menschen, seine Stellung in der Schöpfung und in der Geschichte der Erde" (2 dln., 1863), ! „Vorlesungen über nützliche und schadliche, verkannte und verleumdete Tiere" (1864), „Ueber Mi: krokephalen oder Affenmenschen" (1867), „Die 1 Herkunft der Eingeweidewürmer des Menschen" • (1877\ „Die Saugetiere in Wort und Bild" (met ; platen van Specht, in 1883), „Lehrbuch der prak-

Sluiten