Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven door Ubicini (1856), Roux (1856) en Uzanne (2 dln., 1880).

Vol of vlucht noemt men in de heraldiek een figuur, bestaande uit een paar aan het schoudereinde met elkander vereenigde vleugels. Eén vleugel draagt den naam van demi-vol. De natuurlijke stand is zóó, dat de slagpenspitsen naar boven staan en de beenderzijde naar de rechterzijde, van het schild is gekeerd. Twee vleugels met de rondingen naar elkander gekeerd, heeten demi-vols affrontés, met de vederpunten naar elkander gewend demivols adossés. Ook de beide vleugels, die bij vele helmen boven den wrong staan en het cimier omvatten, noemt men een vol.

Volaarde. Zie Vollersaarde.

Volapuk is de door den predikant Joh. Mart. Schleyer bedachte naam voor een door hem in 1879 opgestelde, kunstmatige taal, bestemd om het onderling verkeer van menschen, behoorende tot verschillende naties en die elkanders taal niet verstaan, mogelijk te maken. De grammatica van deze wereldtaal schijnt op het eerste gezicht zeer eenvoudig. De verbuiging bijv. berust op het afwisselend achtervoegen van de drie klinkers a, e en i achter den stam van het woord, terwijl het meervoud gevormd wordt door achtervoeging van S. Zoo is bijv. men = de mensch, mena, mene, meni = van den, aan den en den mensch, terwijl mens, menas, menes en menis de vier naamvallen van het meervoud voorstellen. Evenzoo is bij de vervoeging de aanduiding der personen en van het getal eenvoudig. Maar de tallooze voor- en achtervoegsels ter vorming van wijzen, tijden en geslachten van het werkwoord en die voor de vorming van bijvoegelijke naamwoorden, superlatieven enz. maken het geheel toch zeer ingewikkeld en geven aanleiding tot vergissingen door hun overeenkomst. Bovendien gelijken de wortelwoorden, bijna 1300 in aantal, zeer weinig op die van de talen, waaraan zij zijn ontleend. Daardoor heeft het volapuk, hoewel aanvankelijk veel beoefend, zich op den duur naast het esperanto (zie aldaar) niet kunnen staande houden. Volbloedigheid. Zie Hy-peraemie. Volcano-Eilanden is de naam van een groep van vier rotsachtige, onbewoonde, kleine eilanden in den Grooten Oceaan. Zij behooren tot den Magelhaens-archipel, liggen ten zuidwesten van de Bonin-Eilanden, hebben een oppervlakte van ongeveer 22 v. km. en werden in 1546 door den Spaanschen zeeman Della Torre ontdekt. Zij dragen de namen: Arzobispo, Sant' Alessandro, Sulphur en Sant' Agostino. Sedert 1891 behooren zij aan Japan.

Volei (Etruskisch Velsu), een van de Etruskische twaalf steden, op 8 km. van de Tyrrheensche Zee ten W. van de Armenta (thans Fiora) gelegen, i wordt in de geschiedenis alleen genoemd naar aanleiding van de overwinning, in 280 v. Chr. door i de Romeinen op Volei behaald. De beteekenis en < de rijkdom van het toenmalige Volei blijkt uit de in , 1828 uitgegraven nekropolis, gelegen op het Pian j di Voce en waarin een groote hoeveelheid vazen, 1 smeedwerk, bronzen voorwerpen enz., uitmuntend door schoonheid en afwisseling, zijn gevonden. 1 Volder, Borchardus de, een Nederlandsch na- , tuurkundige, geboren te Amsterdam den 26"ten Juli i 1643, studeerde aldaar, verkreeg te Utrecht de waar- ( digheid van meester in de vrije kunsten en te Leiden ]

e die van doctor in de geneeskunde, en werd in 1670 hoogleeraar in laatstgenoemde stad. Hij was een i aanhanger der leer van Cartesius, maar werd in 1672

- belet, die te verkondigen. In 1675 zag hij zich door

- curatoren gemachtigd, lessen te houden over de 3 proefondervindelijke natuurkunde en daarvoor de ï noodige werktuigen aan te koopen, terwijl hem in t 1682 de lessen in de wiskunde werden opgedragen, ï Christiaan Euygens belastte hem en den hoogleeraar , Fullenius met de uitgave van zijn werken, zoodat

- door zijn zorg in 1698 diens „Cosmotheoros" en in

■ 1708 de „Opera posthuma" in het licht verschenen.

■ De Volder werd in 1705 emeritus en overleed den 2isten April 1709. Hij schreef o. a.: „Dissertationes philosophicae de rerum naturalium principiis et de aeris gravitate" (1681), „Disputationes philosophi-

i cae omnes contra atheos" (1685) en „Excercitationes academicae, quibus Renati Cartesii philosophia defenditur" (1695).

Volders, Jan, een Belgisch staatsman, geboren in 1855 te Brussel, was de zoon van een schrijnwerker, werd eerst onderwijzer en daarna ambtenaar bij een bank. In 1882 werd hij mederedacteur van den „National beige", in 1884 hoofdredacteur. Deze courant was aanvankelijk radicaal, doch nam weldra een meer linksche richting aan. Volders nam een levendig aandeel aan het tot stand komen van den Belgischen arbeidersbond. In 1885 kwam door zijn toedoen te Brussel een congres bijeen, op hetwelk hij aandrong op de stichting van een arbeiderspartij, die, na het congres te Antwerpen,in het zelfde jaar nog tot stand kwam. Volders werd hoofdredacteur van zijn orgaan „Le Peuple." In 1893 bewerkte de arbeiderspartij de herziening van de grondwet en van de verkiezingen. Volders bracht verder o. a. het internationaal socialistisch congres te Brussel tot stand (1891) en vertegenwoordigde de Belgische arbeiderspartij op het congres te Zürich (1893). Hij had echter te veel van zijn krachten gevergd, werd aangetast door een algemeene verlamming en overleed na een ziekte van 2 jaar in 1896 te Schaarbeek.

Voldoening1 of Plaatsbekleedend lijden. Zie Verzoening.

Volendam, een visschersdorp, behoorende tot de gemeente Edam, in de provincie Noord-Holland, wordt wegens zijn schilderachtig voorkomen en zijn eigenaardige kleederdrachten veel door vreemdelingen bezocht. Men vindt er een Roomsch-Katholieke kerk en een kleine Hervormde kerk.

Volger, Otto, genaamd Senckenlerg, een Duitsch aard- en delfstofkundige, geboren te Lüneburg den 308,en Januari 1822, studeerde te Göttin[ gen, vestigde zich aldaar als privaatdocent, werd in 1849 leeraar te Aargau, in 1851 te Zürich, vestigde zich aldaar als privaatdocent en werd in 1856 leeraar aan het Senckenbergsche Instituut te Frankfort. In 1859 stichtte hij het zoogenaamde Freie Deutsche Hochstift en stond tot 1881 aan het hoofd van deze inrichting. Van zijn geschriften vermelden wij: „Methodische Schule der Naturgeschichte" (1851 1852), „Studiën zur Entwiekelungsgeschichte der Mineralien" (1854), „Entwiekelungsgeschichte der Talkglimmerfamilie" (1855), „Kristallographie oder Formenlehre der stoffeinigen Naturkörper" (1855), „Erde und Ewigkeit" (1857), „Untersuchungen' über das Phanomen der Èrdbeben in der Schweiz" (3 dln., 1857—1858), „Das Buch der Erde" (2 dln., 1859), „Die Steinkohlenbildung Sachsens" (1860)

Sluiten