Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgeleid van het Grieksche demos (volk) beteekende oorspronkelijk volksleider en had aanvankelijk geen ongunstige beteekenis.

Volksonderwijs is de naam van een vereeniging, opgericht in 1866 met het doel: „het publiek tegenover de valsche aantijgingen nauwkeurig in te lichten omtrent den aard en de strekking der Openbare Volksschool en in het algemeen meer belangstelling in het Openbaar Onderwijs en alles wat daartoe betrekking heeft, op te wekken." In 1870 werd de vereeniging, die aanvankelijk tot Friesland beperkt was, uitgebreid over het geheele land, onder den naam Vereeniging tot bevordering van het Volksonderwijs. Haar doel zou o. a zijn: bescherming en verdediging der beginselen van de Wet L. O. van 1867, verbetering voor het volksonderwijs en verheffing van de onderwijzers door betere opleiding en voldoende jaarwedden. In 1874 smolt de vereeniging samen met het in 1870 te Utrecht opgerichte Nederlands-Schoolverbond tot de Vereeniging tot bevordering van het Volksonderwijs en het Schoolbezoek in Nederland. Op krachtige wijze, door woord en schrift, werkte de vereeniging voor haar doel, maar na de nieuwe wet op het Lager Onderwijs van 1878 daalde haar ledental sterk en verflauwde de belangstelling. Wel gaf het optreden van een ministerie der Rechterzijde en de daarop volgende wet Mackay tot nieuwe krachtsinspanning aanleiding, maar nadat de wet in 1889 aangenomen en daarmede op onderwijsgebied de vrede tot stand gekomen was, achtten velen het voortbestaan der vereeniging overbodig, vooral nadat ook (1900) ons land de leerplichtwet had gekregen en dus geen strijd meer tegen schoolverzuim noodig was. In 1903 telde de vereeniging nog slechts 2099 leden in 39 afdeelingen. Eerst toen het in 1901 opgetreden Rechtsche ministerie met de lager onderwijsnovelle kwam, die thans wet is, ontstond, dank zij de krachtige werkzaamheid van het hoofdbestuur, weer nieuwe belangstelling voor de vereeniging en bleef zij van nu af onafgebroken vooruitgaan. Zij telt thans (1911) 152 afdeelingen met ongeveer 12 000 leden, 10 correspondentschappen en 160 algemeene leden. Maandelijks geeft zij een orgaan uit, dat de belangen van de vereeniging en van de volksontwikkeling in het algemeen behandelt.

Volksregeering, Democratie of Democratische regeeringsvorm. Zie Regeeringsvorm.

Volksschool. Zie Lager Onderwijs.

Volksschouwburg' is in de groote steden een schouwburg, welke berekend is op het bezoek van de minder gegoede klasse en welke bij de keuze der stukken daarmede rekening houdt. Ofschoon nu en dan ook klassieke stukken worden opgevoerd, geven zij in het algemeen meer de voorkeur aan operetten en kluchten.

Volkssouvereiniteit. Zie Volksregeering en Republiek.

Volksspelen noemt men de openbare vermaken, welke bij plechtige gelegenheden of naar aanleiding van volksfeesten, jaarmarkten enz., aan het volk om niet worden aangeboden. Men kent hen in zeer verschillende vormen, zooals het mastklimmen in een met zeep besmeerden paal, aan den top waarvan een kroon met prijzen is bevestigd, boegsprietloopen boven water of tusschen twee holten, gevuld met meel en roet, zakloopen in een meelzak, welke vlak onder de kin is dicht gebonden,

hardloopen, ringrijden te paard of in sjeezen, in lateren tijd ook per rijwiel enz.

Volkstelling', het tellen van het aantal ingezetenen van een land of een deel van een land, is een maatregel, die in beschaafde landen van tijd tot tijd genomen wordt. Men vergewist zich dan tevens van het aantal mannen, vrouwen en kinderen, van de bedrijven, welke door de ingezetenen worden uitgeoefend, van hun leeftijd, hun geloofsbelijdenisenz., zoodat men daardoor een statistisch overzicht van de bevolking en op den duur van de beweging van deze op maatschappelijk gebied verkrijgt. Zulke tellingen zijn reeds in de Oudheid gehouden, zoo bijv. in Egypte onder Amasis (600 v. Chr.) in Israël onder koning David, in Athene onder Demetrius Phalerius. 320 v. Chr.). Men beperkte zich toen echter tot het tellen van de manschappen, die onder de wapens geroepen konden worden. Sedert Servius Tullius werden in het Romeinsclie Rijk geregeld volkstellinggen gehouden, meestal om de 6 jaar met het oog op het militairisme en de belastingen. Bekend zijn de volkstellingen onder Augustus, die gepaard gingen met een schatting van het vermogen. Uit de Middeleeuwen zijn slechts enkele tellingen van sommige steden bekena. Eerst in de 17de eeuw begonnen eenige steden weer er mede en in de 18de eeuw kwamen in sommige landen volkstellingen in gebruik,zoo bijv. sedert 1748 in Zweden. Het denkbeeld om geregeld elke tien jaren een uitvoerig overzicht op te maken van;alle personen, die oj) het grondgebied van een staat wonen, is het eerst in de Amerikaansche Constitutie van 1787 belichaamd. Te beginnen met 1790 zouden in geheel Noord-Amerika volkstellingen gehouden worden om het aantal door eiken staat af te vaardigen vertegenwoordigers in het Congres te bepalen. Het Amerikaansche voorbeeld werd in 1801 door Engeland en Frankrijk, in 1816 door Pruisen, in 1829 door Nederland gevolgd. Het spreekt van zelf, dat die eerste geregelde tien- of vijf-jaarbjksche volkstellingen vrij gebrekkig waren. Elk huis werd door den volksteller bezocht en deze teekende in de hem ter invulling gegeven staten zelf de noodige gegevens op naar de antwoorden, die hij op zijne vragen ontving.

De tegenwoordige methode, om vragenformulieren ter invulling aan de gezinshoofden te zenden en die later op te halen en te controleeren, werd het eerst door Quétélet in 1846 voor België toegepast. Zijne bulletins de ménage waren heel wat uitvoeriger dan de eenvoudige staten, waarmede de volkstellers vroeger hunne wijken doortrokken. Deze wijze van handelen is evenwel onmogelijk bij eene natie, waarvan een groot deel nog op een lagen beschavingstrap staat. Vandaar dat de methode van Quételet niet zoo aanstonds in alle landen van Europawerdnagevolgd. Eerst in 1871 gingen daartoe alle Duitsche staten over. En sedert dien tijd is de volkstelling door middel van gezin-formulieren wederom verbeterd door de invoering van persoonlijke formulieren, voor elk lid van een gezin. Tegenwoordig heeft men bijna in alle beschaafde landen periodieke volkstellingen, in de meeste om de 10 jaar, in sommige n. L Frankrijk, Duitschland, Zweden, Noorwegen, Denemarken en Italië, om de 6 jaar. Nederland telt, evenals de meeste andere landen, om de 10 jaar op den 31sten December, Duitschland, Luxemburg en Zweden tellen op den l8ten December, Frankrijk op den 12aen April, Groot-Brittannië op den 5aen April,

Sluiten