Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meente behooren de buurten Barsbeek, Leeuwte, Kuinderdijk-en-Baarle en St. Jansklooster en eenige gehuchten.

Vollenhove, Johannes, een Nederlandscli godgeleerde, geboren te Vollenhove den Uien junj 1631, studeerde in de theologie en was achtereenvolgens als predikant werkzaam te Vledder, Zwolle en 's Gravenhage en overleed in laatstgenoemde stad den 14den Maart 1708. In 1674 vertoefde hij eenige maanden als gezantschapsprediker te Londen. De universiteit te Oxford bevorderde hem tot doctor in de godgeleerdheid. Behalve vele leerredenen leverde hij een bundel „Poëzie" (1686), waarvan „De brant van Londen", „Op den gruwzamen nachtstorm van 1660" en „Onwetende wetenschap en dwaze wijsheit" het meest bekend zijn geworden. Hij was bekend met Vondel, die groote verwachtingen van hem had. Zijn verzen zijn naar den vorm onberispelijk, doch droog didactisch.

Vollenhoven, Jan Messchert van, een Nederlandsch dichter, geboren te Rotterdam den 9den September 1748, wijdde zich aanvankelijk aan den handel, doch deed vervolgens zijn kantoor over aan zijn oudsten schoonzoon, waarna hij zich vestigde op zijn buitengoed Beek tusschen Overveen en Bloemendaal. Hij overleed aldaar den 15den Maart 1814. Hij schreef o. a.: „Gedichten" (1808), „Proeven eener vrije navolging van eenige stukken uit de werken van P. Ovidius Naso" (3 dhi., 1809—1810) „Het boek Job in dichtmaat" (1812) en „Bundel van gewijde poëzie" (1814).

Vollenhoven, Cornelis, een Nederlandsch staatsman, geboren te Amsterdam den 5den Februari 1778, studeerde en promoveerde te Leiden in de rechten, vestigde zich als advocaat in zijn geboortestad, bekleedde onderscheiden stedelijke ambten, werd in 1811 advocaat bij den staatsraad te Parijs, in 1816, na zijn terugkeer in Nederland, referendaris bij den Raad van State, in 1826 administrateur van het binnenlandsch bestuur, in 1831 secretaris generaal, in 1846 tijdelijk minister van Binnenlandsche Zaken en in 1848 staatsraad in buitengewonen dienst. Hij overleed te 's Gravenhage den 14den November 1849. Van zijn geschriften noemen wij: „Lofrede op Coenraad van Beuningen" en „Iets over het Aalmoezeniershuis te Amsterdam en eenige bedenkingen over de armoede" (1835).

Vollenhoven, Hendrik, zoon van den voorgaande, eveneens een Nederlandsch staatsman, geboren te Amsterdam den 2den Mei 1816, studeerde en promoveerde te Leiden in de rechten en werd in 1840 geplaatst aan het ministerie van Binnenlandsche Zaken, waar hij in 1848 werd bevorderd tot referendaris, chef der afdeeling onderwijs enz., welke betrekking hij in 1881 nederlegde. Hij leverde o. a.: „Broeders gevangenisse. Dagboek van Willem de Groot, betreffende het verblijf van zijn broeder Hugo op Loevestein" (1842) en „Brieven van Maria van Reigersbergh" (met dr. Schotel, 1867). Hij was lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde. Hij overleed te 's Gravenhage den 25sten October 1889.

Vollenhoven, Samuel Constant Snellen van, een Nederlandsch entomoloog, geboren te Rotterdam den 18den October 1816, bezocht de kostschool te Noordhei, werd in 1834 student te Leiden en vestigde zich na zijn promotie als advocaat te 's Grar venhage. Weldra legde hij zijn praktijk neer en wijd¬

de zich geheel aan de studie van de natuurlijke his" torie. Hij vestigde zich op de Gliphoeve op de Heemstede, waar hij zich hoofdzakelijk bezighield me* entomologie. Hij leverde weldra een „Naamlijst der Nederlandsche scliildvleugelige insecten". In 1845 behoorde hij tot de eerst toetredende leden der Nederlandsche Entomologische Vereeniging en werd in 1852 haar voorzitter. Hij nam een werkzaam aandeel aan de nieuwe uitgave van „Nieuwenhuis' woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen", was van 1854 tot 1859 mederedacteur van den „Algemeene Kunst- en Letterbode", en werd in 1854 conservator der entomologische afdeeling van 's Rijks museum van natuurlijke historie te Leiden, welke betrekking hij negentien jaar bekleedde. In 1860 werd hij lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, en in 1862 zag hij zich door den Senaat der Groninger hoogeschool eershalve bevorderd tot doctor in de wis- en natuurkunde. Van zijn geschriften noemen wij: „Essai d'une Faune entomologique de 1'archipel indo-néerlandais", „Schetsen ten gebruike bij de studie der Hymenoptera", „Pinacographia, afbeeldingen van Europeesche Sluipwespen", een vervolg op de „Nederlandsche Vlinders" van Sepp, „Gelede dieren van Nederland", en „Gedaantewisseling en levenswijze der insecten", alsmede onderscheiden opstellen in tijdschriften. Hij overleed te 's Gravenhage den 22sten Maart 1880.

Vollersaarde is een delfstof, welke zich onderscheidt door een groenachtig grijze kleur, een aardachtige breuk, geringe hardheid en een gering soortelijk gewicht, terwijl zij vettig is op het gevoel en in water onder uitstooten van luchtbelletjes in een fijn, zacht slib verandert. Zij heeft, evenals leem, speksteen, bergzeep en cimoliet, de eigenschap, dat zij vette oliën gretig opslorpt, waarom zij gebezigd wordt tot het verwijderen van vetvlekken en vooral tot het vollen van laken. Zij bestaat hoofdzakelijk uit kiezelzuuraluminium, verder uit ijzer- en magnesiumsilicaat en water. Men vindt haar bij Görlitz in de Lausitz bij Roszweid in Saksen, bij Woburn in Bedforshire, bij Brickhill in Staffordshire enz.

V ollgraf, Johann Christoph, een klassiek philoloog, werd den 3den Januari 1848 te 's Gravenhage geboren, bezocht het Haagsche gymnasium en studeerde aan de Rijksuniversiteit te Leiden, waar hij den 17den December 1870 promoveerde tot doctor in de klassieke letteren op een proefschrift getiteld: „Studia palaeographica." Gedurende drie jaren zette bij zijn studiën voort in Engeland, Frankrijk, Italië en Griekenland, werd in 1874 praeceptor aan het gymnasium te Haarlem, in 1877 conrector aan het gymnasium te Leiden, in 1883 buitengewoon hoogleeraar aan de Universiteit te Brussel, in 1885 gewoon hoogleeraar aan dezelfde inrichting van hooger onderwijs en in 1902 hoogleeraar teUtrecht in deGrieksche taal- en letterkunde. Hij is lid en eerelid van verschillende geleerde genootschappen in het buitenland en o.a. sedert 1895 Associé de 1' Académie Royale de Belgique. Vele bijdragen van zijn hand verschenen o.a. in „Mnemosyne" en in de werken der Belgische Academie van wetenschappen. In afzonderlijke uitgave zagen van hem het licht: „Greek writers of Roman history" (1880), „L'essence et la méthode de la philosophie] Classique" (1883),

Sluiten