Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het stuk had geen succes. Na den dood van zijn vader deed hij met madame De Rupelmonde een reis naar Nederland, doch keerde in 1723 naar Frankrijk terug en liet de „Henriade", onder den titel „La Ligue, ou Henri le Grand" drukken. Een twist met den chevalier Rohan-Chabot, die hem door zijn bediende deed afrossen en dien hij vervolgens uitdaagde, bracht hem in 1726 wederom in de Bastille. Na verloop van een half jaar echter herkreeg hij zijn vrijheid, doch tevens het bevel om het koninkrijk te verlaten, warop hij zich naar Engeland begaf (1726—1729).

Hier maakte hij zich bekend met de letterkunde, de wijsbegeerte, de geschiedenis en de staatkundige toestanden van het land. Hij schreef in dezen tijd een levensbeschrijving van Karei XII, het treurspel „Brutus", een verhandeling over de epische poëzie en de philosofische of Engelsche brieven, waarin hij zijn landgenooten bekend maakte met de nieuwste uitkomsten van het wijsgeerig onderzoek in Engeland. Door tusschenkomst van zijn vrienden

ontving hij m 1729 verlof, naar Parijs terug te keeren .Wegens eenige verzen op het overlijden van de tooneelspeelster Lecouvreur, aan wie de geestelijkheid een eerlijke begrar fenis ontzeide, gevoelde hij zich gedwongen, eenigen tijd onder een vreemden naam zijn verblijf te houden te Rouen, waar hij zijn „Histoire de Charles XII" en zijn „Lettres philosophiques" in het geheim liet drukken. Laatstgenoemde werden, zoo¬

dra zij in het licht waren verschenen, door beulshanden verbrand. Van de verschillende treurspelen, door hem in die dagen geschreven, zooals: „Zaïre" (1732), „Eriphyle" (1732) en „Adélaïde Duguesclin" (1734), had alleen het eerstgenoemde bij de opvoering succes. Het gedicht: „Le temple du goüt" (1733), waarin de dichter over de meestgevierde schrijvers van zijn tijd op scherpen toon oordeelde, baarde groot opzien en verhinderde zijn opneming in de Academie. Om zich aan de aanvallen, die van alle kanten op hem gericht werden, te onttrekken, begaf zich Voltaire in 1734 met zijn geleerde minnares, markiezin Du Chóielet, naar haar buitenverblijf Cirey in Lotharingen, waar hij zich met eenige tusschenpoozen 15 jaar ophield. Hier schreef hij zijn , Eléments de la philosophie de Newton", verder de beruchte „Pucelle d'Orléans" en de treurspelen: „Alzire" (1736), „Zulime" (1740), „Mahomet" (1741), en „Mérope" (1743), het blijspel „L'enfant prodigue", de zeven „Discours sur 1'homme" (naar Pope, 1738) en andere werken. Ondertusschen was zijn naam door geheel Europa beroemd geworden. De kroonprins van Pruisen (Frederik II) schreef hem vleiende brieven met de uitnoodiging tot een bijeenkomst. Zelfs paus Beneclictus XIV aanvaardde de opdracht van den „Mahomet", die in Frankrijk niet mocht worden opgevoerd, en schonk hem zijn zegen. Li 1746 bezorgde hem een zangspel „La Princesse de Navarre", bij gelegenheid van het huwelijk van den

Voltaire.

dauphin, een zetel in de Academie en de betrekking van historiograaf. Ijverzucht jegens Crébillon en voortdurende hofintriges verbitterden hem echter het verblijf te Versailles, zoodat hij met de markiezin Du Chdtelet naar Cirey terugkeerde en vanhier meermalen het hof bezocht van koning Slanislaus te Luneville, terwijl hij er zijn treurspelen: „Semiramis", „Rome sauvée" en „Oreste" en zijn blijspel „Nanine" voltooide. Na den dood der markiezin vertrok hij op herhaald aanzoek van Frederik II eindelijk in 1750 naar Berlijn, waar hij een verblijf in het koninklijk slot, de orde Pour le mérite, den kamerheerssleutel en een jaargeld van 20 000 livres verkreeg. Twisten met Maupertuis, den president der Academie te Berlijn, verder zijn ijdel, spotziek en hebzuchtig karakter veroorzaakten echter weldra verdeeldheid tusschen Voltaire en den koning en toen deze Voltaires hekelschrift tegen Maupertuis: „Diatribe du docteur Akakia" openlijk had laten verbranden, verzocht Voltaire verlof het hof te verlaten. Op zijn terugreis naar Frankrijk moest hij zich te Frankfort een onderzoek van zijn bagage laten welgevallen, da-ar de koning een dichtverzameling terugverlangde, waarin zich van de band van Frederik II onderscheiden hekelverzen bevonden op Europeesche vorsten. Later echter verzoende hij zich met Voltaire en bleef tot aan zijn dood met hem in briefwisseling. Toch werd de vroegere verhouding niet geheel hersteld.

Gedurende zijn driejarig verblijf te Berlijn had Voltaire zijn meest beroemd werk „Siècle de Louis XIV" voltooid; verder maakte hij historische studiën die hij later in zijn: „Essay sur les moeurs et 1'esprit des nations" verwerkte (7 dln., 1756) en schreef hij een aantal treurspelen en het gedicht „Poème sur la loi naturelle" (1752, gedrukt 1756), dat door het Parlement te Parijs weder veroordeeld werd om verbrand te worden. Daar de Fransche regeering zich verzette tegen zijn terugkeer naar Parijs, kocht hij het landgoed „Les Délices" bij Genève en vervolgens de heerlijkheden Tourney en Ferney in het Fransche grensstadje Gex. Hier sleet hij de twintig laatste jaren van zijn leven, door een jaarlijksch inkomen van 140 000 livres in staat gesteld zich met weelde te omringen, Hij verhief het armoedige vlek allengs tot een welvarende stad en stichtte er een kerk met het opschrift: „Deo erexit Voltaire." (Voltaire deed haar ter eere Gods verrijzen). Met behulp van zijn vermogen trachtte hij verlichting en verdraagzaamheid zooveel mogelijk te bevorderen. Hij trachtte onschuldigen te beschermen en bewerkte o. a. dat het proces van den onschuldig terecht gestelden Calas herzien en zijn ongelukkig huisgezin van armoede en schande bevrijd werd. Daarenboven ontwikkelde hij een verbazende werkzaamheid op letterkundig gebied. In de eerste plaats leverde hij een groot aantal artikelen in de „Encyclopédie," verder de belangrijke geschriften: „Essai sur les moeurs et 1'esprit des nations" (1756), „Candide" (1748), „Histoire de Russie sous Pierre I" (1759), „Idéés républicaines" (1762), „Sur la tolérance" en „Cathéchisme de 1'honnête homme" (1763) „Contes

de G. Vadé", „Commentaire sur Corneille", „Dic-

tionnaire philosophique , onderscheiden treurspe¬

len, zooals: „Agathocle", „Tancrède", „Socrate" en „Irène", oden en een vertaling van „Julius Caesar" van Shakespeare, „Pyrrhonisme de 1'histoire",

Sluiten