Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen, over de gouden eeuw der goden in de Idavelden, over den eersten strijd en over den wereldboom Yggdrasil. Daarna bericht zij over de handelingen der goden en over de plaatsen, waar de elementen zetelen, die hun vijandelijk zijn. Nadat zij daardoor bewezen heeft, dat zij de alwetende Völva is, geeft Odin haar geschenken, en verneemt daardoor de verkondiging van het noodlot der goden en hoe dezen in den laatsten strijd bezwijken, waarna Surtur hemel en aarde met vuur verwoest. Daarna echter rijst een nieuwe aarde uit de zee omhoog en de vredelievende goden keeren daarheen terug. Veel in het gedicht is moeilijk te begrijpen, waardoor het aanleiding tot wetenschappelijke twisten heeft gegeven. Bang beschouwt het als een navolging van een sibyllenlied, Meyer als het werk van een Christelijk geleerde, die het naar Middeleeuwsche theologische bronnen bewerkte, Müllenhoff als een heidensch gedicht, dat in zijn oorspronkelijke gedaante in de 9de eeuw n. Chr. in Noorwegen is ontstaan.

Volnta is de naam van een spiraalvormig verbindingsdeel in de bouwkunde, vooral bij consoles en kapiteelen. Bij eerstgenoemde dient zij tot verbinding der horizontale, gedragen deelen met de loodrechte, dragende wanden en heeft meestal twee tegenovergestelde spiraalwindingen. _ Bij de Ionische kapiteelen verbindt zij de horizontale architraaf met de beide zijden der loodrechte schacht van de zuil en gaat van de kapiteelplaat uit, terwijl zij bij de Korinthische en Romaansche zuilen van de loodrechte zijvlakken van het kapiteel uitgaat.

Volz, Hermann, een Duitsch beeldhouwer, geboren te Karlsruhe den 318ten Maart 1847, studeerde aldaar aan de polytechnische school en aan de school voor architectuur. Nadat hij deelgenomen had aan den Fransch-Duitschen Oorlog, bepaalde hij zich bij de bouw- en beeldhouwkunst onder de leiding van Steinhauser. Hij werkte ook bij den schilder Canon en begaf zich in 1871 naar Rome, waar hij later herhaaldelijk vertoefde. Tot zijn voornaamste werken behooren: het gedenkteeken voor het graf van de familie Hallberger te Stuttgart (1875), een Germania voor het generaal-commando en het oorlogsmonument te Karlsruhe (1877), dat te Hannover (1884), de strijd met den leeuw (1886), het gedenkteeken voor Geibel te Lübeck (1889), dat voor Scheffel te Karlsruhe (1893), het gevelveld voor den hofschouwburg te Wiesbaden, het grafmonument voor prins Lodewijk van Baden (1896), het oorlogsmonument voor Mannheim (1896), het ruiterstand¬

beeld voor keizer Wilhelm I te Essen (1898) en het Prinz Wilhelmmonument te Karlsruhe (1901). Hij werd in 1880 professor aan de kunstschool te Karlsruhe.

Vomica noemt men een met etter gevulde ruimte, inzonderheid in de longen.

Vonck, Elias, een Hollandsch stillevenschilder, werd geboren te Amsterdam (?) in 1605 en overleed aldaar in 1652. Hij was zijn geheele leven te Amsterdam werkzaam. Zijn schilderijen, die vrij zeldzaam zijn, geven meest doode vogels te zien. Zijn zoon Jan schilderde in zijn trant. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Museum Boymans te Rotterdam.

Vonck, Jan, een Hollandsch stillevensschilder, werd geboren te Amsterdam omstreek 1630 en

xv

was daar omstreeks 1660 werkzaam. Hij was een zoon en navolger van Elias Vonck. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Vondel, Joost van, of Van dm Vondel (ook wel Van Vondelen of Van Vondelens; zie de plaat), een beroemd Nederlardsch dichter, geboren den 17den November 1587 te Keulen, waarheen zijn vader, hoedenstoffeerder te Antwerpen en lid der Doopsgezinde broederschap, de wijk had genomen, om zich aan de vervolging der R. Katholieken te onttrekken en waar hij in 1585 met Sara Kranen, eveneens afkomstig uit Antwerpen, in het huwelijk was getreden. In 1594 of 1595 verlieten zij Keulen, trokken eerst naar Frankfort, Bremen en Utrecht en vestigden zich omstreeks 1597 in Amsterdam, waar zijn vader, meestal Joost van Duislant genoemd, een hoeden-, later een kousenhandel dreef in de Warmoesstraat, welke zaak de zoon na den dood van zijn vader (1608) met zijn moeder voortzette. In 1610 trad hij in het huwelijk met Mayken of Maria de Wolf, wier ouders ook tot de Protestantsche uitgewekenen behoorden en zich eerst te Keulen, later te Amsterdam gevestigd hadden, terwijl haar broe¬

der Hans de Wolf gehuwd was met ULemenslcen, ae oudste zuster van Vondel. Vondel bezat weinig lust en aanleg voor den handel en liet de zorg voor zijn winkel meest over aan zijn vrouw, terwijl hij zich met de dichtkunst en met de studie bezighield. Hij was lid van de kamer ,,'t Wit Lavendelbloem" met de zinspreuk „Uit levender jonst", gewoonlijk de Brabantsche kamer genoemd, omdat zij door uitgeweken Zuid-Nederlanders was opgericht. Van Vondels eerste werken kennen wij een „Schriftuerlijck bruyloftsrefereyn", een „Nieuwjaarsliedt", een danksonnetophet sluiten van het Twaalfjarig Bestand en een treurdicht op de „Uitvaert van Henricus de Groote." In 1612 schreef hij zijn eerste treurspel„Het Pascha ofte de verlossinge Israels uitEgypten." Uit dit werk blijkt de invloed van Fransche treurspeldichters, inzonderheid van Du Bartas. Tusschen 1610 en 1620 schreef Vondel verder eenige Fransche gedichtjes, vertaalde eenige gedichten van Du Bartas en gaf twee emblematische bundels in het licht, waarvan de platen reeds vroeger met Nederlandsche en Fransche bijschriften waren uitgegeven, en nu opnieuw door hem van Nederlandsche bijschriften werden voorzien. Deze bundels waren: „Gulden Winckel der konstlievende Nederlanders" (1613) en „Vorstelijcke Warande der dieren." Van 1616—1620 was Vondel diaken in de kerk van de Waterlandsche Doopsgezinde kerk, voor welke betrekking hij in 1620 niet weder in aanmerking wilde komen, omdat hij aan een diepe zwaarmoedigheid leed. Wel was hij in het begin van 1620 tijdelijk daaruit hersteld, zoo als uit de opdracht van zijn „Helden Godes", korte karakteristieken bij afbeeldingen van Bijbelsche personen, aan dr. Jolian Fonteyn blijkt, in 1621 echter schreef hij een „Gebedt uytgestort tot Godt over mijn geduerighe quynende sieckte". In 1619 verscheen zijn tweede treurspel, n.L „Hierusalem verwoest," opgedragen aan den oud-burgemeester van Amsterdam C. P. Hooft. Misschien is dit werk de aatileiming geweest, dat hij in nauwere aanraking kwam met diens zoon P. C. Hooft. In dezen tijd had hij dikwijls samenkomsten met Hooft, Reael en De flitJerf.Jwaarin over taalkundige kwesties werd ge-

44

Sluiten