Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sproken. Ook verkeerde hijlveel in het,, salighe Roemershuis", waar ter onderlinge oefening de „Troades" van Seneca in proza werd vertaald. Deze vertaling werd door Vondel in dicht overgebracht en in 1626 als „De Amsterdamsche Hecuba" in het licht gegeven. In 1623 verscheen zijn „Lof der Zeevaert", opgedragen aan Laurens Reael. Virder vertoefde hij dikwijls in het gezin van Laurens Baeck op de hofstee Scheibeek onder Beverwijk, een zwager van Hooft. Voor de dochters van Baeck dichtte Vondel een vijftal liedjes. In 1624 gaf hij den bundel „Minneplicht en Kuysheytskamp" uit, waarin hij ook een aantal liederen van anderen o. a. van Hooft opnam. Nadat Frederik Hendrik in 1625 het stadhoudersschap had aanvaard, schreef Vondel „Begroetenis van Frederick Henrick", daarop volgden in den loop der tijd: „Princelied", „Oranje Maylied", „Geboortklock", „Verovering van Grol", „Amsteldams Wellekomst", „Zegesang ter eere van Frederick Henrick, Boschdwinger, Wezelwinner" en „Stedekroon". Waarschijnlijk eerst sedert 1625 nam Vondel deel aan den strijd tusschen Arminianen en Gomaristen, waarin hij zeer beslist partij voor de eersten koos. Misschien dagteekent het gedichtje „Hollantsche Transformatie", later herdrukt als „Op de Weegschael", reeds van 1618; daarin wordt echter geen partij gekozen. In 1625 opende Vondel den strijd met zijn treurspel „Palamedes of de vermoorde onnoozelheyd", waarin Oldenbarnevelt verpersoonlijkt wordt in Palamedes, terwijl het stuk

Het omjethert bejrimt met ojjen Ttuiyl, en. pooteru. Manhxflc üiuieojdhtifii. int beeflenperck. verjljoten ~Noch Ju'ichtfe niet. hoe feer de 'bsjflieyd. brult. en. tiert Jlan firecckt voor'thcylyh reebt. Jtes TTiemis kier Uuriert.

Prent uit Vondels Palamedes (uitgave van 1625).

verder wemelt van toespelingen op de rechters, Maurits enz. Dit stuk, dat op aanraden van een Amsterdamsch schepen, Albert Koenraedsz.} Burgh, werd geschreven, baarde groot opzien, bijval aan

den eenen kant, verontwaardiging aan den anderen kant, zóó zelfs, dat Vondel zich eenigen tijd schuil hield, eerst bij zijn zwager Hans de Wolff, later bij Laurens Baeck. Ér werd een aanklacht tegen hem ingediend, doch hij kwam vrij met een boete van 300 gulden. Ondanks ziin sympathie voor de Remonstranten, sloot Vondel zich niet bij hen aa.:, doch bleef getrouw aan de Doopsgezinde Kerk. In 1627 trad hij weder tegen de Gomaristen op met zijn geestig hekeldicht: „De Rommelpot in 't Hanekot", daarop volgden o. a.: „Boeren Categismus" (1628), zijn beroemde „Roskam" (1630)," „Harpoen", „Haec libertatis ergo", „Medaellie voor de Gommariste kettermeester en inquisiteur te Dordrecht", „Decretum Horribile" (1631) en „Blixem van 't Noordhollandsche Synode". Waarschijnlijk zijn uit dezen tijd ook de ongedateerde gedichten op Oldenbarneveld afkomstig als „Geusevesper" en ,,'s Lands treurspel." Bij deze hekelende klaagdichten sluit zich het in veel lateren tijd vervaardigde „Stockske van Joan van Oldenbarnevelt" aan Q; 1658). Verwant met de richting van Vondel in den strijd tegen de Contra-Remonstranten en inzonderheid tegen de predikanten, was het streven van de Duytsche Academie, zoodat het niet te verwonderen is, dat de dichter daarin weldra een belangrijke rol speelde. In 1629 of 1630 schreef hij een prijsvraag uit, „Wat beste en slimste tongen sijn ?", welke vraag veel opschudding veroorzaakte, en waarop een vijftigtal antwoorden in zeer uiteenloop enden geest kwamen. Een van deze antwoorden,

!•_. nr\ ■ i -t .

udL ddri oats oi aan 1 ngtana worat toegeschreven, was zeer hatelijk en werd door Vondel met een even hatelijk gedicht beantwoord. In denzelfden tijd verscheen zijn „Otter in 't Bolwerck", waarin hij op geestige wijze den predikant Otto Badius, die op den kansel tegen de Academie geijverd had, tot voorwerp van zijn spot koos. Zeer bevriend was Vondel ook met Hugo de Groot, op wien hij een aantal gedichten schreef, Barlaeus en FossiMS.Bekend ishetgedichtje,,Vertroostinghe aan Geeraerdt Vossius over zijn zoon Dionys" (1623). Kort te voren had hij zijn „Constantijntje", op den dood van zijn zoontje, kort daarna de „Uitvaert van mijn dochterken", op den dood van zijn dochtertje geschreven. Zijn zoontje had den naam Constantijn ontvangen naar aanleiding van een epos, dat Constantijn den Groote tot onderwerp had, waaraan Vondel sedert 1632 bezig was. Het bleef echter onvoltooid en werd later door den dichter vernietigd. In 1635 wijdde hij een „Lijckklaght aan het Vrouwenkoor" aan den dood van zijn echtgenoote, die in de Oude kerk werd begravenIn 1637 zou de nieuwe schouwburg, die de Duytsche Academie, waarmee ook de Brabantsche kamer en de Eglantier waren samengesmolten .verving, aan de Keizersgracht worden geopend. Het gebouw was op verschillende plaatsen met bij schriften van Vondel versierd. Voor de opening vervaardigde de

cucnter net treurspel „uijsDrecht van Aemstel",een van de meest bekende van zijn werken. Gedurende twaalf jaar had hij geen treurspel geschreven ; wel had hij de reeds genoemde „Amsterdamsche Hecuba" naar Seneca bewerkt, verder den „Hippo-

Sluiten