Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lytes" van denzelfden dichter en de „Sophompaneas" (1635) van Hugo de Groot in het Nederlandsch vertaald. Door tegenwerking van de geestelijkheid werd het stuk eerst den 3den Januari 1638 vertoond. Het had zooveel bijval, dat het 13 maal achtereen werd opgevoerd en sedert 1641 tot op onzen tijd bijna jaarlijks in den Amsterdamschen schouwburg is gespeeld. De opvoering van het stuk was door de geestelijkheid tegengegaan, omdat zij gehoord hadden, dat daarin Roomsche plechtigheden zouden voorkomen, zoodat zij voor een verkeerden invloed op de rechtzinnigheid vreesden. Inderdaad is in den „Gijsbrecht" reeds een voorliefde voor het Roomsche geloof op te merken, evenals in zijn treurspel „De Maeghden" van 1639. In 1641 ging hij openlijk tot het Roomsche geloof over. Velen hebben dezen overgang uit verschillende motieven trachten te verklaren. Waarschijnlijk was de hoofdzaak, de behoefte die Vondels diep godsdienstig gemoed had aan gezag, dat bij de Doopsgezinden, die in zijn tijd zeer verdeeld waren, ontbrak, terwijl de omstandigheid, dat zijn dochter Anna den Roomschen godsdienst beleed, ook veel invloed zal hebben gehad. In het jaar van zijn bekeering schreef Vondel zijn treurspel „Peter en Pauwels", opgedragen aan Eusebia (Tesselschade), aan wie hij in 1639 ook zijn „Electra", een verhaal uit den tijd der martelaren, had opgedragen. De vurige ijver van den bekeerling bleek uit „Grotius Testament" (1645), waarin hij trachtte aan te toonen, dat De Groot een voorliefde voor het Katholicisme had gehad, en uit „Altaer Geheimenissen" (1645), welke werken, evenals eenige kleinere gedichten, die hij in dezen tijd schreef, hevig werden bestreden. In 1647 verscheen buiten Vondels medeweten een tweede bundel van zijn poëzie (de eerste was in 1644 onder den titel „Verscheide gedichten" uitgegeven), waarin inzonderheid alle werken, die Vondel wilde doen vergeten, en een aantal gedichten van anderen, waren opgenomen. Het is niet bekend, wie dezen bundel heeft uitgegeven, men neemt algemeen aan, dat Brandt de bewerker is geweest. Een jaar te voren had Vondel het treurspel „Maria Stuart of gemartelde Majesteit" in het licht gegeven. Ofschoon het anoniem verschenen was, werd de dichter toch met een som van 180 gulden beboet, omdat hij een bevriende mogendheid had beleedigd. Vondels Katholicisme heeft aanleding gegeven tot vele oneenigheden met vroegere vrienden. Ten onrechte echter heeft men dit ook als de oorzaak beschouwd van de verwijdering, die sedert 1643 tusschen Hooft en Vondel bestond.

In 1647 werd Vondel opgedragen een stuk te schrijven, ter gelegenheid van de feestelijkheden bij het sluiten \an den Vrede van Munster. Hij koos zijn landspel „De Leeuwendalers", dat den 7den Mei 1648 werd vertoond. Dit is het eenige herdersspel van den dichter, die zich bij uitstek treurspeldichter voelde. Hij heeft dan ook 23 treurspelen geschreven en 8 vertaald. Hiertoe behooren, behalve de reeds genoemde: „Gebroeders", „Joseph in Dothan" (1640), „Joseph in Egypte" (1640), „Salomon" (1648), „Lucifer" (1654), „Salmoneus" (1657), „Jephta" (1659), „Koning David in ballingschap" (1660), „Koning David hersteld" (1660), „Samson" (1660), „Adonias" (1661), „Faëton" (1663), „Batavische gebroeders" (1663), „Adam in ballingschap" (1663), „Noach" (1667) en „Zung-

chin" (1667). Van deze treurspelen zijn, behalve de „Gijsbrecht van Aemstel", „Joseph in Dothan", „Lucifer" en „Adam in ballingschap" het meest beroemd geworden. Ook „Lucifer" werd van kerkelijke zijde hevig aangevallen, zóó zelfs, dat het stuk na de eerste opvoering werd verboden. De aanvallen op het stuk beantwoordde Vondel met de gedichtjes „Speelstrijt van Apollo en Pan" en „Uitvaart van Orpheus". De invloed van Seneca is in Vondels eerste tooneelwerken duidelijk te bespeuren; later volgde hij meer en meer de Grieksche treurspeldichters, van wie hij ,,Electra"(1639), „Koning Edipus" (1660), „Ifigenie in Taurien" (1666), „Feniciaensche of gebroeders van Thebe" (1668) en „Herkules in Trachin" (1668) vertaalde. In hoofdzaak sloot hij zich bij de kunstleer van Aristoteles en diens uitleggers aan.

Dat Vondel in de eerste plaats lyrisch dichter was, blijkt ook in zijn tooneelspelen, waarvan de lyrische gedeelten, inzonderheid de reien uitmunten. Over het algemeen heeft hij getracht in zijn treurspelen het hoogste van zijn kunnen te geven. Doch ook aan alle overige dichtsoorten heeft hij zijn krachten beproefd. Als episch dichter schreef hij nog: „Johannes de Boetgezant" (1662), als leerdichter „Bespiegeling van Godt en godsdienst" (1662) en „De heerlijkheit der kercke" (1663). Zeer groot is zijn aantal gelegenheidsgedichten. Aan alle gebeurtenissen van eenig belang heeft hij een lied gewijd. Wij noemen slechts die op de „Inwijdinghe van 't Stadthuis" (1655) en op den bouw van het „Zeemagazijn" (1658) te Amsterdam. Groot is ook het aantal van zijn bijschriften en van zijn lofzangen op verschillende Amsterdamsche families.

In 1652 had Vondel zijn kousenwinkel overgedaan aan zijn zoon Joost, die de zaken slecht behartigde, zoodat hij in 1656 insolvent werd verklaard. Daarbij ging Vondels vermogen geheel verloren, zoodat zijn dochter Anna hem met haar klein kapitaal moest ondersteunen. Een reis, die de dichter naar Denemarken had gedaan, om nog iets van zijn vermogen te redden, had weinig resultaat. In 1658 werd hij, op voorspraak van Anna van Hoorn, de echtgenoote van burgemeester Van Vlooswijck, tot boekhouder aan de bank van leening benoemd, welke betrekking hij tot 1668 bleef bekleeden, toen hij op zijn verzoek, met behoud van zijn jaarwedde, werd ontslagen. In 1671 verscheen zijn vertaling van „Ovidius Herscheppinge." Nadat zijn dochter in 1675 was overleden, werd hij nog 5 jaar verzorgd door zijn kleinzoon en naamgenoot, die later als schoenmakersgezel naar Lidië vertrok. Hij overleed den 5ien Februari 1679 en werd in de Nieuwe Kerk begraven. De meest bekende van de op hem vervaardigde lijkdichten zijn die van Johannes Vollenhove, Joachim Oudaen en Joannes Antonides van der Goes. Zijn leven werd beschreven door Brandt. In 1682 verscheen een volledige uitgave van Vondels kleinere gedichten van Brandt en Vollenhove. Portretten van Vondel werden gemaakt door Sandrart (1641), Jan Lievens, Govert Flinck (1653), Karei van Mander (1657), Cornelis de Visscher (1657) en Philips de Kminck, die verschillende portretten van hem vervaardigde. De meest uitgebreide uitgave van de werken van Vondel is die van Van I,ennep (1855—1869), van 1888—1894 herzien en aangevuld door J. H. W. Unger. In de 19ae eeuw werden een groot aantal werken over den dichter ge-

Sluiten