Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigen waarborg te geven, is den voogd de verplichting opgelegd om hypotheek — of zoo hem dit niet mogelijk is, andere zekerheid — te stellen; de daartoe noodige beslissingen worden door den kantonrechter genomen. Verder is de voogd verplicht binnen 10 dagen na het begin der voogdij een inventaris te doen opmaken van de goederen van den minderjarige. De gelden van den minderjarige mogen slechts op bepaalde wijzen worden belegd, n.L door aankoop van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, van onroerende goederen of in rentegevende schuldbrieven, gehypothekeerd op vaste goederên, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt. Bij het eindigen van zijn beheer is de voogd verplicht tot het afleggen van rekening en verantwoording. Hij mag in rekening brengen alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven. Op belooning heeft de voogd geen aanspraak; alleen de door de ouders benoemde voogd kan het loon genieten, dat hem bij de akte van benoeming is toegekend.

Voogdijraad. Sinds de Kinderwetten van 1901, die in 1905 in werking zijn getreden, bevat ons Burgerlijk Wetboek de bepaling (art. 385J), dat in ieder arrondissement ten minste één voogdijraad is, aan wien, behalve de bij de wet uitdrukkelijk genoemde bemoeienissen, is opgedragen de zorg voor de minderjarigen, die bij rechterlijke uitspraak aan zijn zorg worden toevertrouwd, alsmede voor die, welke door den officier van justitie te zijner beschikking worden gesteld. Op dit oogenblik bestaan hier te lande 27 voogdijraden. Het aantal leden, dat altijd oneven is, wisselt tusschen 5 en 11. De voorzitter en de andere leden worden door den Koningbenoemd, evenals de secretaris, die een bezoldiging geniet en dagelijks spreekuur houdt voor het publiek. De voogdijraad kan in elke gemeente binnen zijn ressort, onder goedkeuring van den Minister van Justitie, agenten benoemen. De voogdijraden zijn ingesteld, omdat er noodig zijn bijzondere deskundigen, die raad kunnen geven en geschikte maatregelen bevorderen in de gevallen, waarin bemoeiing met het lot van minderjarigen geboden is. De voogdijraad tracht opde hoogtere blijven van gevallen van verwaarloozing van minderjarigen; doet zulk een geval zich voor, dan stelt hij een onderzoek in en is, als de uitkomst daartoe aanleiding geeft, bevoegd bij den rechter een verzoek in te dienen tot ontheffing of ontzetting van ouders, voogden of toeziende voogden. Ook wanneer een ander ontzetting of ontheffing vraagt, moet de voogdijraad door den rechter worden gehoord. De rechter kan minderjarigen aan de zorg van den voogdijraad toevertrouwen gedurende een geding tot echtscheiding of scheiding van tafelen bed of gedurende een geding tot ontzetting. OokdeOfficier van Justitie kan een minderjarige voorloopig,totdat de rechter beslist heeft, ter beschikking van den voogdijraad stellen, op grond van feiten, die tot ontzetting van de ouderlijke macht of voogdij aanleiding kunnen geven of op grond, dat hij noch onder ouderlijke macht noch onder voogdij staat dan wel verlaten of zonder toezicht is. In de gevallen, waarin een minderjarige aan de zorg van den voogdijraad is toevertrouwd, zal deze moeten zorgen voor plaatsing in een gezin of gesticht. De kosten voor deze verzorging te maken, worden door het Rijk gedragen, maar kunnen op de ouders of het vermogen van den minderjarige verhaald worden. De voogdijraad is ook

geroepen te zorgen, dat na ontzetting of ontheffing uit de ouderlijke macht de vader of moeder tot het onderhoud en de opvoeding van het kind geldelijk blijft bijdragen. Op verzoek van den voogdijraad stelt de rechter het bedrag der uitkeeringen vast en aan den voogdijraad worden de uitkeeringen gedaan. Bij niet geregelde voldoening kan de voogdijraad zich wenden tot den persoon, van wien de tot uitkeering verplichte loon of wedde geniet, die dan verplicht is om, zoolang de voogdijraad dat mocht verlangen, tot kwijting en ten hoogste tot het bedrag van hetgeen door hem als loon of wedde aan den tot uitkeering verplichte verschuldigd is, aan den voogdijraad de uitkeeringen te voldoen. Sinds de wet van 16 Nov. 1909 (Stbl. n°. 363) heeft de voogdijraad ook op te treden bij acties tegen den vader van een natuurlijk kind. (Zie vaderschap). Verder is in 't algemeen de voogdijraad adviseur in alle gevallen, die maatregelen ten aanzien van verwaarloosde of misdadige minderjarigen betreffen. Wint de minister van Justitie omtrent zoodanige maatregelen het gevoelen van den Voogdijraad in, dan geschiedt dit door tusschenkomst van het Algemeen College van Toezicht, Bijstand en Advies.

Voor- en Achter-Indië. Zie Oost-lndië.

Voor-Azlë, het Z. W. lijk gedeelte van Azië, gelegen tusschen de Zwarte Zee en den Kaukasus in het N. en de Arabische Zee in het Z. en tusschen de Middellandsche Zee in het W. en Afghanistan— Beloedsjistan in het O., omvat Klein-Azië, Armenië, Perzië, Syrië, Palestina, Mesopotamië en Arabië. In engeren zin verstaat men er Klein-Azië, Syrië en Palestina onder.

Voorbeschikking;. Zie Predestinatie.

Voorburg, een gemeente in de provincie ZuidHolland, 858 H. A. groot met (1910) 4948 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten 's Gravenhage, Rijswijk, Stompwijk en Veur. De bodem bestaat uit alluviaal zand en klei. De voornaamste bezigheden zijn landbouw en veeteelt. Men vindt er vele landgoederen. Tot de oudste behooren Arendsburg, Binkhorst en De Werve. Hofwijk werd door Constantijn Huygens aangelegd. Tot de gemeente behoort het dorp Voorburg en een gedeelte van de buurt Geestbrug.

Het dorp Voorburg is door een spoorlijn, een tram en een straatweg met 's Gravenhage en Leiden verbonden. De laan van Nieuw-Oosteinde verbindt het met het Haagsche bosch. Men vindt er een Hervormde Kerk en een Roomsch-Katholieke kerk. Voorburg is zeer oud, misschien is het het Forum Hadriani van de Romeinen. In een geschrift uit de 2de helft van de 9de eeuw wordt het als Forenburg vermeld.

Voorbijgang: is in de sterrenkunde hetzelfde als Doorgang. Zie aldaar.

Voorda, Jacóbus, een Nederlandsch rechtsgeleerde van Vlaamsche afkomst, ook Van de Voorde geheeten, werd geboren te Harlingen den 17"en Januari 1698, studeerde te Franeker en werd er in 1723 lector en vervolgens hoogleeraar. In 1730 vertrok hij in deze betrekking naar Utrecht. In 1760 legde hij zijn ambt neder, keerde naar Friesland terug en overleed te Leeuwarden den 20sten Juni 1768. Hij schreef o. a.: „Commentarius ad legem Falcidiam" (1730), „Interpretationes et emendationes Juris Romani" (1735) en „Electorum liber singularis"(1749).

Voorda, Bavius, eveneens een Nederlandsch

Sluiten