Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de wiskunde geeft men dezen naam aan de leer van de grondvormen der vlakke figuren en der lichamen, die als een inleiding voor het onderwijs in de plantkunde dient. Zij is door Pesialozzi bij het onderwijs ingevoerd en door Diesterweg verder ontwikkeld. Aanvankelijk was in de wet op het Lager Onderwijs de vormleer in ons land onder de verplichte vakken van onderwijs opgenomen, in 1878 werd zij daaruit geschrapt.

Vormsel, het tweede van de sacramenten der R. Katholieke Kerk, stelt de mededeeling voor der heiligende en versterkende gaven van den Heiligen Geest, en daarvan is de zalving en handenoplegging van den bisschop het zinnebeeld. In de oude Christelijke Kerk was het met den doop verbonden, gelijk ook thans nog in de Grieksch-Katholieke Kerk, maar in de R. Katholieke Kerk wordt het toegediend aan hen, die op afgelegde geloofsbelijdenis ter communie zijn toegelaten. De Roomschen beroepen zich op een aantal plaatsen in den Bijbel, zooals Handelingen VIII : 14—17, XIX : 1—6, Hebreeuwen VI : 1—5 enz., op kerkelijke overleveringen en de uitspraken van sommige Kerkvaders. Het toedienen van het vormsel werd op het Concilie te Lyon in 1274 vastgesteld en op dat te Trente een signum indelebile (onuitwischbaar teeken) verklaard, hetwelk niet mag worden herhaald. Het is door de Protestanten verworpen.

Vörösmarty, Michael, een Hongaarsch dichter, geboren den lBten December 1800 te Nyék in het comitaat Stuhlweiszenburg, studeerde te Pest in de rechten, wijdde zich vervolgens aan de rechtspraktijk, doch bepaalde zich later uitsluitend bij de poëzie. Gedurende de revolutie van 1848 werd hij afgevaardigd naar de Nationale Vergadering. Later werd hij gevonnisd door de Oostenrijksche rechtbank, maar ontving genade. Hij overleed te Pest den igden November 1856, waarna Deak, ten behoeve van zijn achterblijvende betrekkingen, door middel van een nationale collecte een som van 100.000 Oostenrijksche guldens bijeenbracht. Reeds als student schreef Vörösmarty het treurspel: „Koning Salomo", het dichterlijk verhaal: „De zegepraal der trouw" en eenige lyrische gedichten. Groot opzien baarde in 1826 zijn epos: „De vlucht van Zalan". Daarop volgden eenige kleinere dichterlijke verhalen, talrijke lyrische gedichten, waarvan het patriottisch drinklied „Foti dal" en de ode „Szozat" bijzonder populair werden. Verder leverde hij vertalingen van „Duizend en één nacht", van den „King Lear" en „Julius Caesar" van Shakespeare, onderscheiden dramatische werken en talrijke artikelen in tijdschriften. In 1830 werd hij benoemd tot lid der Hongaarsche Academie en der Kisfaludyvereeniging. De volledigste uitgave van zijn gezamenlijke werken is in 1864 in 12 deelen door Gyulai uitgegeven, (24e druk, 1884). Li 1894 verscheen een uitgave in 6 deelen.

Vorschebeet (Hydrocharis Morsus ranae L.) is de naam eener plantensoort van het geslacht Hydrocharis, tot de familie der Hydrocharideeën behoorènde. Deze laatste omvat waterplanten met wortelstandige, nu eens zittende, breed-lintvormige en veelal getande, dan weder gesteelde, kromnervige bladeren, éénslachtige bloemen, vóór het ontluiken in vliezige bloemscheden besloten, een driebladigen, kruidachtigen kelk en een driebladige bloemkroon. Het aantal meeldraden is gewoonlijk 3;]of een veelvoud van 3, het vruchtbe¬

ginsel 1- tot het 6-hokkig, de vrucht onderstandig met aan den wand bevestigde zaadlijsten, terwijl de zaden geen kiemwit, maar een rechte kiem bevatten. De vorschebeet heeft het uitwendig voorkomen van een kleine plomp. Ook de geslachten Stratiotes (scheren) en Elodea (waterpest) behooren tot deze familie.

Vorsselman de Heer. Zie lieer.

Vorst noemt men die lage luchttemperatuur, waarbij het water van een vloeibaren in een vasten toestand overgaat. Dit geschiedt, wanneer de temperatuur tot het vriespunt is gedaald. Zie ook Nachtvorst.

Vorst (Voorste, Eerste, Voornaamste) was ten tijde van het oude Duitsche rijk de titel van een klasse van personen, die na den keizer den hoogsten rang innamen. In den loop van de ll'1® eeuw werd het gewoonte de leden van de hoogste aristocratie van het rijk vorst te noemen, zooals de hertogen, de marktgraven, de paltsgraven, de landgraven, de burchtgraven, de graven, de aartsbisschoppen de bisschoppen en de abten van de rijksonmiddelbare abdijen. Tegen het einde van de 12de eeuw ontstond de zoogenaamde jongere rijksvorstenstand, waartoe alleen bepaalde families behoorden; zij waren in wereldlijke en geestelijke vorsten gescheiden. In de 13"° eeuw scheiden zich de keurvorsten (zie aldaar), als personen van een hoogeren rang van de vorsten af. Naast de eigenlijke souvereine vorsten, bestonden reeds vroeg titulaire vorsten, wier benoeming een recht van den keizer was. De meeste souvereine vorsten van Duitschland werden in 1806 gemediatiseerd, d. w. z. verloren hun souvereiniteit. Vorstendommen, d. w. z. landen, waarvan de heerscher den titel vorst draagt, zijn in Duitschland Schwarzburg, Reusz, Lippe en Waldeck, buiten Duitschland Liechtenstein en Monaco. Vorst beteekent ook in het algemeen hetzelfde als souverein, heerscher, monarch. Men spreekt van vorstelijke rechten, praerogatieven enz. en denkt dan aan de gekroonde hoofden en hun huizen.

Vorstenbond was de naam van het verbond van Duitsche rijksvorsten, dat in 1785 door Frederik den Groote werd gesticht met het doel de plannen van keizer Jozef 11, die de rijksgrondwet wilde veranderen, tegen te gaan. Het werd gesloten door Pruisen, Saksen en Hannover; later sloten Brunswijk, Mecklenburg, Saksen-Weimar, Saksen-Gotha, Tweebruggen, Ansbach, Baden, Anhalt-Dessau en Mainz zich er bij aan. Nadat Frederik 11 overleden was en de plannen van Jozef II waren verijdeld, verloor de bond zijn beteekenis.

Vorstendom was vroeger in het Duitsche rijk een rijksonmiddelbaar gebied, dat tusschen hertogdom en graafschap in stond. Later kregen ook de graafschappen vorstelijke rechten en werd aan hun bezitters den rang van vorst verleend. Zie verder Vorst.

Vorstenlanden is de gezamenlijke naam van de residenties Soerakarta en Djokjokarta op Java, die, in tegenstelling met de gouvernementsresidenties, haar zelfbestuur onder inlandsche vorsten, onder opperhoogheid van het Nederlandsche gezag, hebben behouden. De naam ontstond omstreeks 1800; vóór dien tijd werden zij Bovenlanden of Javasche Bovenlanden geheeten. De macht van de vorsten werd in den loop der tijden, evenals hun grondgebied, meer en meer beperkt door verschil-

Sluiten