Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter gekleurde vossen met een witte keel, een witten buik en een witte pluim berk- of goudvossen, de donker gekleurden met een zwarte pluim en een grijze keel brandvossen.

Volgens Wagner heeft men de volgende verscheidenheden (volgens anderen soorter) van vossen: den gewwien vos (Vulpus vulgaris), rood van vacht met een witten buik, een witte staartpluim en zwarte pooten, waartoe de brandvos (Canis alopex L.) met een rooden, met zwart gemengden pels, de kruisvos (Vulpus crucifera Briss.) met een zwart kruis op den rug, in den winter blauwachtig grijs daarom ook blauwvos genoemd, die in Rusland leeft, de zwarte vos (V. nigra Pall), geheel of half zwart met een witte staartpluim, en de witte vos (V alba Pall.), nagenoeg geheel wit behooren, vérder den zwartbuikiqen vos (Canis melanogaster Bonap.), van onderen zwart, met wat kortere ooren en een langeren snuit, die in Italië leeft, den Nijlvos (G. niloticus Geoffr.), vaalrood van pels, aan de beide zijden grijs, onder aan den hals, aan den buik en aan de borst bruinachtig zwart en met een witte staartpluim, in Egypte en Arabië te vinden, en den rooden vos (C. fulvus Desm.), goudkleurig van pels, van onder wit, aan de voor- en buitenzijden der pooten zwart, met een witte staartpluim, in Noord-Anierika de wouden bewonend, waartoe behooren: de Amerikaansche lcruisvos (C. decussalus Geoffr.), met den boven reeds vermelden kruisvos overeenkomend, en de zilvervos (C. argentalus Geoffr.), gemengd wit en zwart van pels met witte punten aan de haren en een witte staartpluim. Tot de zelfstandige soorten behoort de ijsvos (poolvos, blauwvos, steenvos, isatis, Canis lagopus L.), 63 cm. lang met een staart van 32 cm., korte pooten, een stompen, dikken snuit, korte, ronde ooren en een zeer dich ten, langharigen, in den zomer grauwen enin den winter witten pels. Deze bewoont de poolstreken der Oude en Nieuwe Wereld, doch niet verder zuidwaarts dan tot G0° N.Br. Om zijn pels, die veel waarde heeft, wordt deze vos ijverig gejaagd, zoodat zijn aantal sterk afneemt. Daarom heeft men op de Aleoeten en de eilanden langs de kust van Maine zoogerfhamde vossenfarmen of rancho's opgericht. De korsak (sleppenvos, kirsa, kirassoe, Canis Corsal L.) wordt 55 cm. lang en heeft een staart van 35 cm.; hij gelijkt vei l op den gewonen vos en bewoont de steppen langs de Wolga en de Kaspische Zee. De virginiavos (zilvervos, Canis virginianus Erxl., Canis cinereoargentatus Erxl.) wordt 70 cm. lang en heeft een staart van 40 cm. Hij is van boven gespikkeld grijs, van onderen hel roestgeel, heeft een donkeren borstband en zwarte strepen op de voorpooten.Zijn staart is van boven zwart, beneden roestrood. Hij woont in het N. W. van de Vereenigde Staten en in de aangrenzende streken van Britsch-Noord-Amerika.

Van geen enkel dier bestaan zooveel spreekwoorden en fabels als van den vos. In de Indische mythen is hij de personificatie van de avondschemering, bij de Grieken en Romeinen waren een groot aantal verhalen over de slimheid en valschheid van den vos in omloop; in de Middeleeuwen kwam de fabel over hem in een groote verscheidenheid tot ontwikkeling. Zie Dierensage en Reinaert de Vos.

Vos, Maerten de, een Vlaainsch historie- en portretschilder, werd geboren te Antwerpen in 1632 en overleed aldaar in 1603. Hij was een leerling van zijn vader Pieter de Vos en van Frans Fhris te Antwerpen. Hij maakte een reis naar Italië

en werkte eenigen tijd bij Tintoretto te Venetië. In 1558 was hij terug in Antwerpen en bleef daar tot zijn dood werkzaam. Hij had er talrijke leerlingen. Men kan zijn werk het best bestudeeren in het museum te Antwerpen. Hier te lande bevinden zich o. a. werken van zijn hand in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Mauritshuis te 's Gravenli age.

Vos, Cornelis de, een Vlaamsch portretschilder, werd geboren te Hulst in 1585, overleed te Antwerpen in 1651. Hij was een leerling van David Remeeus. In 1608 trad hij in het St. Lucas-gild te Antwerpen en werkte toen waarschijnlijk bij Rubens. Hij behoorde tot de beste portretschilders van zijn tijd en had verscheiden leerlingen. Hij was tevens kunsthandelaar. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Mauritshuis te 's Gravenhage en in het Museum Boymans te Rotterdam.

Vos, Pauwel de, een Vlaamsch dier- en stillevenschilder, werd geboren te Hulst omstreeks 1590 en overleed te Antwerpen in 1678. Hij was een leerling van David Remeeus en waarschijnlijk ook van zijn zwager Frans Snijders, dien hij navolgde. In 1620 trad hij in het St. Lucasgilde te Antwerpen. Misschien is hij voordien eenigen tijd werkzaam geweest in het atelier van Frans Snijders, Jan Wildens, Lucas van Uden e. a. schilderden de landschappen in zijn schilderijen en verschillende andere schilders uit de school van Rubens de figuren. Men kan zijn werk het best leeren kennen in het Prado-Museum te Madrid. Zijne schilderijen worden vaak verward met die van Frans Snijders, doch onderscheiden zich van deze door hun minder levendig coloriet. Werk van zijn hand bevindt zich hier te lande o.a. in het Mauritshuis te 'sGravenhage.

Vos, Jan, een Nederlandseh dichter, geboren omstreeks het jaar 1620 te Amsterdam, waar hij later als glazenmaker en tevens als wijnroeier werkzaam was. Hij maakte een groot aantal gelegenheidsgedichten voor aanzienlijke Amsterdammers, bijv. voor de families Huydecoper, Bicker, Witsen enz. Vooral genoot hij de gunst van burgemeester Joan Huydecoper. Op 21-jarigen leeftijd schreef hij het treurspel „Aran en Titus of wraak en weerwraak", dat in 1641 in den Amsterdamschen schouwburg werd opgevoerd en grooten opgang maakte. Het is een gruwelstuk in oud-Engelschen trant, dat eenige overeenkomst vertoont met den„Titus Andronicus", die gewoonlijk aan Shakespeare wordt toegeschreven. De bronnen, waaruit hij zijn stof heeft geput, zijn niet met zekerheid bekend. In 1665 voltooide hij zijn „Medea", die na de verbouwing van den Amsterdamschen schouwburg aldaar met vertooning van veel „konst- en vlieghwercken" met behulp van hemelwerk, zinkluiken, beweegbare schermen enz. werd opgevoerd. Dit stuk, iets minder bloederig dan zijn eersteling, is waarschijnlijk oorspronkelijk. In 1641 was zijn „Klucht van Oene" opgevoerd, een plat stuk, dat aan de boerden en sotternieën van de Middeleeuwen herinnert. Misschien ontleende hij de stof aan een gelijksoortige klucht van Jan Soet, misschien ook putten beiden uit eenzelfde bron. Van 1647—1652 en van 1653—1667 was hij regent van den Amsterdamschen schouwburg. Bij de meeste officiëele feesten in Amsterdam werd hij met de leiding van de vertooningen en de feestvieringen belast. Hij schreef een groot aantal bijschriften en puntdichten.

Sluiten