Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn werken zijn dikwijls herdrukt, zijn treurspelen werden in het Duitsch vertaald. In 1662, 1671 en 1726 werden zijn gezamenlijke werken in het licht pegeven. Hij overleed den 11"^ juü 1667 te Amsterdam.

Vos, W Mem de, een Nederlandsch godgeleerde, geboren in 1728, was eerst Doopsgezind predikant te Haarlem en vervolgens te Amsterdam, waar hij in 1814 emeritus werd en den 88t<™ Januari 1823 overleed. Een benoeming tot hoogleeraar wees hij van de hand. Van zijn geschriften vermelden wij: „Is het geoorloofd in onzen handp] en wandel met de onkunde van onze medemenschen ons voordeel te doen? Zoo ja, in welke gevallen en in hoeverre?"(1767), „Over de vereischten tot de kunst van waarnemen, en hoeveel dezelve kan toebrengen tot de volmaking van 't verstand"(1770), „Over het huwelijk"(1771), „Over de verschillende volkskarakters en derzelver natuurlijke en zedelijke oorzaken"(l 797), „Over het schadelijke der vooroordeelen omtrent het horoskooptrekken en planeetWen" en „Over de beste middelen om de duellen en tweegevechten te voorkomen", welke geschriften alle door verschillende genootschappen zijn bekroond. Ook schreef hij: „Leven en charakter van Allard Hulshoff"(1796).

Vos, Frans de, eenVlaamsch letterkundige, geboren te Caprijcke den 4d<'" October 1792, werd candidaat-notaris, zag zijn Nederlandsche vertaling van een Fransche verhandeling over de schoone kunsten nog voor 1820 te Gent bekroond, werd in 1830 ontvanger van 's Rijks middelen in zijn geboorteplaats en verkreeg vervolgens een betrekking bij de belastingen te Gent. Hier stichtte hij in 1834 met Blommiert en Serrure de „Nederduitsche Letteroefeningen" en gaf er, aanvankelijk met Rens, het „Nederlandsch letterkundig jaarboekje" in het licht. De regeering verplaatste hem naar de Pruisische grenzen, maar hij vroeg onbepaald verlof en trok naar Parijs, waar hij door het geven van lessen in zijn onderhoud voorzag. Later bekleedde hij weder hier en daar in België het ambt van rijksontvanger en werd vervolgens agent der schatkist,eerst te Dinant en vervolgens te Yperen, waar hij den 228ten April 1859 over- ! leed. Hij schreef de dichtstukken: „Het vermogen < des ijvers"(1821) en „De menschlievendlieid"(1828), i het treurspel: „Zestien jaren of de brandstichter"' i (1833), „Grondregelen van verdraegzaemheid ten ge- 1 bruike der Belgische Roomsche Katholyken"(1834), t „Een tooneel van Ariosto"(1846), en „Ernestine of 1 de feilen der jeugd"(1861). f

Vos, Marie, een Hollandsche stillevenschil- 1 deres, werd geboren te Amsterdam den 218ten , December 1824 en overleed te Oosterbeek den llden ^ Januari 1906. Zij was een leerling van P. Kiers. Werken van haar hand bevinden zich hier te lande ( o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het 2 Museum Boymans te Rotterdam. v

Vos, Jan Comelis de, zich noemende om familie- g redenen Jan C. de Vos, een Nederlandsch tooneelspe- d Ier, geboren den 8^" Juli 1855 te 's Graven hage,was s de zoon van een kost- en dagschoolhouder aldaar, en li op 8-jarigen leeftijd met zijn ouders naar li Kijswijk bij Den Haag, waar zijn vader de eens be- ti kende kostschool Schoonoord had overgenomen. TNa den dood van zijn vader (1871),die hem voor Lei- u den bestemd had, werd hij korten tijd opgeleid voor si architect. Door bemiddeling van den om zijne phi- s< iantropie evenzeer bekenden, als in zijn tijd vermaar- e]

XV

den schrijver J. KneppeUumt, werd hij student in de ■n Rechten (1873) te Leiden, studeerde daarna M. O ït Nederlandsch, o. a. bij den latere» prof. Cosijn, doch i- het ook deze studie varen om zijn lievelingsdenkbeeld te volvoeren, n.L tooneelspeler te worden. De ope, richting van „Het Nederlandsch Tooneel" te Am;e sterdam gaf hem daartoe gelegenheid. Hij le"de n voor den Raad van Beheer zijn proef af en werd onr- middellijk aangenomen. In 1876 debuteerde hij in e „Sofonisbe". Van 1882—1884 was hij verbonden aan 't de afdeeling Rotterdam van het Nederlandsch Tooi- neel, ging in 1884 over bij het opnieuw gevormde ge? zeischap van Le Gras en Haspels, zonder Van Zuylen doch verliet in 1886 Rotterdam om de betrekking i, van hoofdredacteur van de „Haagsche Courant" te g aanvaarden. In 1885 had hij met H. L. Berclcenhoff I, het artistieke weekblad „De Lantaarn" opgericht, r waarin hij o. a. onder het pseudoniem Janus Blanus t een aantal artikelen schreef. Van 1888 tot 1890

- maakte hij opnieuw deel uit van het gezelschap Le

- Gras en Haspels en stichtte met W. van Korlaar den

- Tivolischouwburg te Rotterdam (1900).Als regisseur

- en mede-directeur heeft hij een groot aantal moderne

- en oorspronkelijke stukken doen opvoeren. Toen het Tivoligezelschap in 1895 uiteen ging, werd hij op-

■ nieuw aan het gezelschap van Le Gras en Harpels

■ verbonden, nu tevens als regisseur, na den dood van i Jaap Haspels werd hij lid van de directie. In 1900 i werd de firma Le Gras en Haspels ontbonden; De Vos

■ was een jaar lang zonder vast engagement en ver; bond zich in 1901 weder aan „Het Nederlandsch

Tooneel". Gedurende vele jaren is hij leeraar aan de Tooneelschool te Amsterdam. De voornaamste van zijn rollen zijn: „Halma" in „Eerloos", overste ScMvartze in „Haar thuis", Van Sparivijk in „In kiemen kring", Dokter Stockman in „Een vijand van het volk", consul Bernick in „De steunpilaren van de Maatschappij", Rector Kroll in „Rosmersholm", „Een Paladijn"; Orgon in „Tartuffe", Mouznn in „De Roode Toga", Droomulus; hoofdrollen in „Domheidsmacht", „Droeve min", „Vriendinnetje" „Veertig",Dr. Jüttner in Oud-Heidelberg,De slechte Herders, Overwinnaars, enz. Zelf schreef hij ook eemge tooneebtukken, als: „Suzanna", „Ik heb een stuk geschreven", „Na 30 jaar" en „Naar de Koloniale Tentoonstelling". Verder gaf hij een metrischo vertaling van „Medea" naar .het Fransch van Legouvé, „De Pauw", in Alexandrijnen naar het Fransch, „De Graaf de Charolais" naar het Duitsch, en zeer vele andere vertalingen, een bundel novellen, getiteld „Intimiteiten" en een dichtbundel „Lentebloemen". De "Pos is lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden.

Vosmaer, Arnout, een Nederlandsch beoefenaar der natuurlijke historie, geboren te Rotterdam den 23«'en October 1720, vestigde zich in 1751 te 's Gravenhage en aanvaardde er een betrekking bij 's lands generaal comptoir ter recherche der collectieve middelen, doch vond weldra een werkkring, die beter strookte met zijn neiging. Hij kwam namelijk aan 't hoofd van het vorstelijk museum voor natuurlijke historie, terwijl zijn eigen kabinet, dat reeds een btiitenlandsche vermaardheid bezat, door prins Willem V gekocht en bij het museum gevoegd werd. In 1770 werd hij tevens belast met het bestuur over de vorstelijke diergaarde op het Loo. Hij volbracht onderscheiden buitenlandsche reizen, teekende en dichtte en was lid van verschillende geleerde genootschap-

45

Sluiten