Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen. Hij leverde een groot deel van het 3de en het geheele 4de deel van „AJSeba's Schatkamer", een „Verhandeling over een rug- en huikvoetige krabbe" en „Natuurkundige beschrijving van zeldzame gedierten"(1766 en i804). Hij overleed te 's Gravenhage den 15"1™ Januari 1799.

Vosmaer, Jacob, een Nederlandscli geleerde, geboren te 's Gravenhage in Augustus 1783, studeerde te Harderwijk en te Utrecht in de geneeskunde en vestigde zich eerst te Haarlem en in 1811 te Zutfen als geneesheer. In 1816 aanvaardde hij de betrekking van hoogleeraar in de plant-, schei- en artsenijmengkunde aan het athenaeum te Harderwijk en later die van buitengewoon hoogleeraar aan de academie teUtrecht. In 1820 werd hij er gewoon hoogleeraar in de scheikunde, de leer der geneesmiddelen en de artsenijmengkunde aan de aldaar opgerichte veeartsenijschool. Hij overleed den 3den Februari 1824. Van zijn geschriften noemen wij: „Grondbeginselen der natuurkunde van den mensch"(naar Blumenbach, 1807), „Grondbeginselen der ontleedkunde "(naar Hempel, 1811, 2de druk, 1824), „Aan mijn verloste landgenooten"(1813), „Lierzang op de verheffing der Nederlanden tot een koninkriik"(1815), „De menschenliefde"(1818), „Verhandeling over de toevallige gebreken der bliksemafleiders"(naar Bechnann), „Apothekerswoordenboek"(l8te dl. A-—D, 1822, vervolgd door C. Mulder, 1828), „De kunst van lang te leven en wel te sterven"(1828) en „Nagelaten en verspreide letterarbeid"(2 dln., 1826), waarin zich de voortreffelijke „Wandelingen van Maarten Vroeg" bevinden. Deze „Wandelingen" verschenen voor het eerst in de „Vaderlandsche Letteroefeningen". In 1862 werden zij afzonderlijk uitgegeven (herdruk, 1872).

Vosmaer, Carel, een Nederlandsch letterkundige en kunstgeleerde, een neef van den voorgaande, geboren te 's Gravenhage den 208ten Maart 1826, studeerde van 1844—1850 te Leiden in de rechten, was van 1853-1866 griffier te Oud-Beierland, van 18561866 substituut-griffier bij het Provinciaal Gerechtshof van 's Gravenhage, van 1866—1873 substituutgriffier bij den Hoogen Raad. In laatstgenoemd jaar nam hij zijn ontslag om zich geheel aan de letterkunde te wijden. Hij was een vurig bewonderaar van de klassieke letterkunde, welke liefde uit al zijn werken spreekt. De Grieksche versmaat trachtte hij in onze letterkunde in te voeren. Sedert 1856 was hij medewerker aan de „Konst- en Letterbode", sedert 1858 aan den „Tijdstroom"en sedert 1860, toen eerstgenoemd tijdschrift met „De Nederlandsche Spectator" samensmolt, ook aan dat tijdschrift, waarvan hij gedurende langen tijd redacteur was. In dit tijdschrift schreef hij onder het pseudoniem Flanor van 1864—1888 een aantal schetsen in de rubriek „Vlugmaren". Deze werden, in 3 bundels verzameld, uitgegeven in 1879, 1881 en 1883. In 1856 verscheen „Een studie over het schoone in de kunst"(1856), een idealistische beschouwing in den geest van Plato. Daarop volgden: „Rembrandt Harmensz. van Rijn. Ses précurseurs et ses années d'apprentissage"(1863) en „Rembrandt Harmensz. van Rijn. Sa vie et ses oeuvres"(1868). Zijn verspreide opstellen verschenen eerst als „Éenige schetsen" en werden later veel vermeerderd uitgegeven als „Vogels van diverse pluimage"(3 dln., 1872 —1876), waarvan de beide eerste deelen schetsen en novellen, het derde deel gedichten bevat. Verder schreef hij ,,Londinias"(1873),

een humoristisch epos in hexameters, geschreven na een reis naar Londen, „Een Zaaier. Studiën over Multatuli"(1874), welke geschriften door Van Vloten bestreden werden. „Amazone"(1880, 6de druk 1900, vertaald in liet Fransch, Duitsch en Engelsch), een roman, waarin gesprekken over kunst een groote rol sp.'len, „Nanno. Een Grieksche Idvlle"(1883, 3ae druk, 1894) en „Inwijding"(1889, 3de druk, 1896), een roman, die onvoltooid bleef en na zijn dood door zijn zoon werd uitgegeven. Van zijn groote liefde voor de werken van Homeros getuigen zijn vertalingen van de „Ilias" (1878—1880) en van de „Odyssee' (1888). Hij overleed den 12den Juni 1888 te Territet. Hij was lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen.

Vossenvellen vormen voor de pelshandelaars een belangrijk handelsartikel en worden meestal naar de kleur onderscheiden, welke onderscheiding in het geheel niet met de zoölogische verdeeling overeenkomt. De roodvos is de gewone vos der gematigde luchtstreek. Bij uitzondering zijn bij dezen het uiteinde van den staart, de poot?n en de keel zwart in plaats van wit, in dit geval draagt hij den naam van brandvos. De beste rood vossen komen van de Alaska, de streken om de Hudsonbaai en de kust van Labrador. Hun waarde wisselt af van 2—10 gulden en hooger. Zij worden tot het voeren van pelsen gebezigd in Turkije, Griekenland, Rusland en Polen. De vellen worden daarbij in nek-, keel-, kruis-, rug- en buikstukken verdeeld, waarvan men vervolgens soort bij soort voegt. Hooger in waarde is de kruisvos, een in Siberië levende variëteit van den roodvos, die alzoo genoemd wordt naar de donkere kleuren, die op zijn rug pn schouders een kruis vormen. Een vel kost 20—60 gulden. De kostbaarste vossenvellen (een vel tot 600 gld. en hooger) zijn die' van de zwart- en zilvervossen in Siberië, op de Aleoeten en in Noord-Amerika, inzonderheid de Amerikaansche. Het haar van sommige is geheel glanzig zwart, van anderen aan de punten wit, zoodat zij met een zilverachtig waas bedekt zijn en zilvervossen heeten; de geheel zwarte zijn het kostbaarst. Een pels uit keel- en nekstukken kost 7- tot 8000 roebels. Zulke pelsen zijn aan de hoven van Rusland en Turkije zeer gezocht en worden wegens haar lichtheid ook door dames veel gedragen. Grijsvossen zijn de vellen van een soort vossen uit Canada en uit het noorden der Vereenigde-Staten. Zij hebben grof, op den rug zilvergrijs getint haar. Twee variëteiten van den pool- of ijsvos dragen den naam van blauwvossen en witvossen. Van de eerste, die zesmaal zoo duur zijn dan de tweede (een vel kost tot 120 gulden) vindt men de fraaiste en grootste exemplaren in het Rus sische gouvernement Archangelsk, vervolgens op de kust van Labrador en op de eilanden, die ten noorden van Amerika gelegen zijn, terwijl van de witvossen de Amerikaansche beter zijn dan die uit Siberië en Rusland. De slechtste soorten van blauw- en witvossen leveren Groenland en IJsland. In het tijdperk van verharing in het voorjaar draagt de ijsvos in Siberië den naam van nomxk (in het meervoud nomiki) zijn haarkleed is dan grijsachtig geel, vermengd met zwart. Deze vossenvellen geven een warmen pels en de donkerkleurige worden ook voor kragen enz. gebruikt.

Vossestaart. Zie Alopecurus.

Vossevangen, een kerkdorp in het Noorsche ambt Löndre-Bergenhus, gelegen aan het meer

Sluiten