Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Putten, werd geboren in 1461 cn erfde den haat van zijn geslacht tegen de inwoners van Kampen. Deze laatsten trokken tegen hem op en veroverden en verwoestten zijn kasteel, terwijl hij de Zuiderzee onveilig maakte en de koopvaardijschepen der Kampenaars wegnam, zoodat de stad 100 oude schilden uitloofde aan dengene, die Pelgrim doodsloeg, terwijl zij 100 goudguldens zette op het hoofd van zijn broeder. De strijd duurde tot beider dood (omstreeks het jaar 1600). Zijn erfdochter trad in het huwelijk met George Schenk van Toutenburg.

Vos van Steenwijk, Hendrik de, geboren in 1522, door vermogen en afkomst een der voornaamste ingezetenen van Drente, onderteekende met Johan van Echten de Unie van Utrecht en werd in 1584 drost. Wegens gevorderden leeftijd legde hij dit ambt neder, waarna zijn zoon Coenraad hem opvolgde, en overleed in 1597. Hij was gehuwd met Mechteld van Ripperda.

Vos van Steenwijk, tot Nyewald, Jan Arend Godert de, een zoon van Jan Arend en van Suzanna Tuyl van Serooskerken, werd geboren in 1713, was drost van Vollenhove, lid der ridderschap van Overijsel en zag zich met belangrijke staatscommissiën belast. Hij was de raadsman van Willem, IV en aanvankelijk ook van diens weduwe en verzette zich .evenals Van der Capellen tot den Poll, tegen de drostendiensten, die hij als slaafsch en vernederend beschouwde. Hij was gehuwd met Geertruida Agnes van Iselmuden, overleed in 1779 en liet vijf zonen na.

Vos van Steenwijk, Jan Arend, baron de, een zoon van den voorgaande, geboren te Vollenhove den 26sten April 1746 studeerde te Utrecht, promoveerde in de rechten en wijdde zich aan de rechtspraktijk, totdat hij tot behartiging van 's lands zaken geroepen werd. Sedert 1770 was en bleef hij geruimen tijd beschreven in de ridderschap van Overijsel en werd van wege dat gewest eerst afgevaardigd naar de Oost-Indische Compagnie te Amsterdam, vervolgens naar den Raad van Staten en toen naar de Admiraliteit te Amsterdam. Na de omwenteling van 1795 werd hij representant voor Overijsel en lid van Gedeputeerde Staten. In het volgend jaar was hii lid der Nationale Vergadering, vertrok in 1797

op last van het Uitvoerend Bewind als gezant naar Parijs en werd in 1798 lid van het departementaal bestuur van den Ouden IJsel. Bij de landing der Engelschen in 1799 ging hij als gezant naar Berlijn, en twee jaar later werd hij thesaurier generaal der Bataafsche republiek en vervolgens lid van den Staatsraad. Hier hield hij zitting tot na de komst van koning Lodewijk en zag zich in 1807 benoemd tot landdrost van Gelderland. Gedurende drie jaar bekleedde hij deze betrekking en werd inmiddels door den koning gemachtigd tot het regelen der grensscheiding van het hertogdom Berg. Ook was hij geruimen tijd commandeur der Duitsche Orde ter balye Utrecht en bekleedde in de laatste jaren den rang van coadjutor. In 1810 ontving hij het commandeurskruis der Unie, terwijl do keizer hem verhief tot commandeur der Réunie. Hij heeft een „Historische beschrijving der Stad VoEenhove en van de Nederlandsche gewesten" in handschrift nagelaten, was gehuwd met Coenradina Wilhelmina, barones van Iselmuden, die hem twee zonen schonk, en overleed op zijn buitengoed den Oldenhof bij Vollenhove den 18"1011 April 1813.

Vosz, Johann Heinrich, een Duitsch dichter,

geboren den 208""" Februari 1751 te Sommersdorf bij Waren in Mecklenburg, bezocht sedert 1766 een school te Neubrandenburg, werd daarna huisonderwijzer, en vertrok in 1772 naar Göttingen. Hier wijdde hij zich aanvankelijk aan de godgeleerdheid, maar weldra uitsluitend aan de letteren, en sloot zich aan bij een aantal gelijkgezinde jongelingen, die tezamen den Göttingen Dichterbund vormden. Hij was de ziel van genoemde vereeniging en haalde zich hierdoor het ongenoegen op den hals van zijn leermeester Heyne. Toen Boie, met wiens zuster Vosz verloofd was, in staatsdienst overging, aanvaardde Vosz, die zich in 1775 te Wansbeck gevestigd had, de redactie van den „Musenalmanach". Te Wansbeck verkeerde Vosz met Claudius en Klopstock en trad in 1777 in het huwelijk. In 1778 aanvaardde hij het rectoraat te Otterndort en vervaardigde er zijn vertaling „Odyssee" (1781). Deze vertaling werd in Duitscliland buitengewoon populair. In 1782 werd hij door tusschenkomst van zijn vriend Friedrich Leopold von Stolberg tot rector te Eutin benoemd, waar hij in 1786 den titel van Hofraad ontving. Inmiddels was hij in een langdurigen en heftigen letterkundigen strijd gewikkeld met zijn ouden leermeester Heyne. Nadat hij in 1789 een vertaling der „Georgica" van Virgilius en in 1793 een nieuwe bewerking van zijn vertaling der „Ilias" en „Odyssee" geleverd had, bepaalde hij zich bij de Oud-Grieksche geografie en mythologie. Uit dezen tijd zijn zijn idylles in hexameters afkomstig, van welke „Der siebsigste Geburtstag" en vooral de

„Lrnse (1795) beroema werden: In net najaar van 1802 begaf hij zich om redenen van gezondheid met een wachtgeld van 600 taler naar Jena, waar hij de veel besproken recensie van de „Ilias" van Heyne in de „Allgemeine Literaturzeitung" deed plaatsen. Vruchteloos wendde Goethe pogingen aan, om hem te Jena te doen blijven. Vosz aanvaardde in den zomer van 1805 een hoogleraarsambt te Heidelberg, waar hij weldra in strijd geraakte met de romantische dichters Brentano, Arnim en Görres, in wier streven hij de beginselen van een staatkundige en kerkelijke reactie vreesde. Dergelijke redenen waren het ook, die hem in 1824 zijn „Antisymbolik" tegen Creuzer deden schrijven (2de deel na zijn dood in 1826 uitgegeven door zijn zoon). Nog krachtiger trad hij op tegen zijn vroegeren vriend Friedrich Leopold von Stolberg, die tot de Katolieke kerk was overgegaan, in zijn geschrift: „Wie ward Fritz Stolberg ein Unfreier?" Hij overleed den 29sten Maart 1826 te Heidelberg. In de tweede helft van zijn leven wijdde hij zich, behalve aan wetenschappelijke studiën, inzonderheid aan vertalingen. In zijn latere vertalingen sloot hij zich nauwer aan bij zijn origineel en legde groote waarde op een correcten versbouw, waardoor zij minder frisch en levendig zijn. Dit komt reeds uit in zijn „Georgica" van 1789 en in zijn vertaling van Homeros van 1793, meer nog in zijn latere vertalingen van Horaiius (1806), Theokritos (1808), Tibullus (1810) en Aristophanes (1821). Verder vertaalde hij 13 stukken van Shakespeare' (gedrukt, 1818—1829. Van zijn „Samtliche Werke" verschenen een aantal uitgaven (5 dln., 1853; 5 dln., 1869, herdruk 1879).

Vosz,Heinrich, de oudste zoon van den voorgaande, geboren te Otterndorf den 29"ten October 1779, studeerde te Halle, werd eerst leeraar aan het gymnasium te Weimar, daarna als opvolger van zijn

Sluiten