Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

coalitie tegen het Ministerie"(1849), „Is de Koning derNederlanden Souverein ?"(1850), „Herinneringen van een staatsman betrekkelijk de verheffing van Willem I tot Souvereinen Vorst der Vereenigde Nederianden"(1850), „Nederland en Cromwell"(1853), „Neerlands vroegere alliantiën"(1856), „Inleiding tot eene geschiedenis der Nederlandsche diplomatie"(6 dln., 1856—1865), „Oranje en de Bataafsche Republiek in diplomatische betrekking tot den eersten Napoleon"(1859), „Anti-Napoleontische vertoogen"(1851—1858), „De rechten van het ministerie. Een woord tot de kiezers"(1862), „Fredrike Sophie Wilhelmine, gemalin van den stadhouder Willem V en Laurens Pieter van de Spiegel"(1868), „Republiek of constitutioneele monarchie"(1869), „Een twintigjarige strijd enz."(1869), „Onze volksgeest voor en na de grondwetsherziening van 1848" (1870), „Voorouderlijke wijsheid in hachelijke tijden enz."(1872) en „Een blik op Noord-Brabants materieelen vooruitgang en politieke ontwikkeling sedert 1813"(1878). Hij overleed den 20steD Juni 1880 te Utrecht.

Vreede, Aïbert Cornelis, een Nederlandsch taalgeleerde, geboren te Gorinchem den 29sten Januari 1840, werd in 1857 student te Utrecht, legde in 1859 het candidaatsexamen in de klassieke letteren af, doch liet deze studie varen om in 1861 naar Indië te vertrekken, waar hij . op Oost-Java bij de suikercultuur werkzaam was en zich tevens toelegde op de studie van het Madoereesch. In 1868 keerde hij naar Nederland terug, deed in 1870 examen voor Indisch ambtenaar en vestigde zich als privaatdocent in het Javaansch aan de toenmalige rijksinstelling tot opleiding van Indische ambtenaren. Na de invoering van de wet op het Hooger Onderwijs werd hij in 1877 hoogleeraar in de Javaansche taaien letterkunde aan de universiteit te Leiden. In 1892 werd hij doctor honoris causa in de taal- en letterkunde van den Indischen archipel. Van zijn werken noemen wij: „De beoefening der Javaansche taal aan de rijksinstellingen van Indisch onderwijs als grondslag voor de studie dier taal aan de rijksuniversiteit," „Wortelwoorden in de Javaansche taal", „De oorsprong en figuurlijke beteekenissen der Javaansche woorden"(1883), „Catalogus der Javaansche en Madoereesche handschriften der Leidsche Universiteitsbibliotheek"(1892), „Handleiding tot de beoefening der Madoereesche taal"(2de druk, 4 dln., 1882—1890), een uitgave van de Madoereesche „Tjareta Brakaj"(1878), een uitgave met een vertaling en aanteekeningen van „Bangsa Tjara", de 3ae uitgave van het Javaansch-Nederlandsch handwoordenboek (1886, de 2de had hij bewerkt met Roorda, 1875, de 4de met Gunning, 1901), de latere uitgaven van de Javaansche grammatica van Roorda en een groot aantal artikels, recensies enz. Hij overleed den 21Bten Augustus 1908.

Vreeland, een gemeente in de provincie Utrecht, 505 H.A. groot met (1910) 820 inwoners, wordt begrensd door de Utrechtsche gemeenten Nichtevecht, Abkoude-Baambrugge, Loenen en Loosdrecht en door de Noord-Hollandsche gemeenten Kortenhoef en Nederhorst-den-Berg. De bodem bestaat meest uit klei, gedeeltelijk uit laag veen. De voornaamste middelen van bestaan zijn: veeteelt, zuivelbereiding, veenderij, land- en tuinbouw. Tot de gemeente behoort het dorp Vreeland, het eiland De Nes, de Dordsche Waard, de Voorburgsche Pol¬

der, een deel van den Hoekerpolder en een deel van den veenplas het Wijde Blik.

Het bevallige dorp Vreeland ligt aan de Vecht en wordt door grachten ingesloten, de eenige overblijfselen van de vroegere versterkingen. Er is een Hervormde kerk. Van het slot, dat bisschop Hendrik van Vianen tusschen 1253—1259 stichtte, is niets overgebleven. Dezelfde bisschop schonk Vreeland in het midden van de 13ae eeuw stedelijke rechten; na 1637 vindt men de plaats echter niet meer als stad vermeld. Zijn opvolger verpandde het slot aan Gijsbrecht IV van Aemstel, in 1280 gaf Arnoud van Aemstel het over aan de Hollanders, de toenmalige bondgenooten van de Utrechtenaren. Later werd het weer herhaaldelijk verpand, totdat het in 1369 voor goed aan Utrecht kwam. In 1529 werd het gesloopt.

Vreemdeling' is in het algemeen het tegengestelde van burger (zie aldaar). De wijze, waarop vreemdelingen in den loop der tijden en bij verschillende volken werden behandeld, was zeer ongelijk en staat in nauw verband met den graad van beschaving, die de volken bereikt hebben. Onbeschaafde stammeji behandelen hen meestal als vijanden, de oude cultuurvolken als vrije menschen, die echter geen aanspraak hadden op de rechten, die de burgers bezaten. Te Sparta mochten zich geen vreemdelingen vestigen, hoogstens was hun een kort verblijf toegestaan; bij andere Grieksche stammen, bijv. bij de Atheners, bezaten zij bepaalde rechten. Ook te Rome kregen zij in den loop der tijden een zekere rechtsbevoegdheid, die geregeld werd door het jus gentium, waarvan de grondslag het algemeen natuurlijk rechtsbewustzijn was. Bij de oude volken werd gastvrijheid (zie aldaar) in het algemeen als een plicht beschouwd. Tegenwoordig bestaan er in de meeste landen bijzondere wetten, die de rechten en plichten van de vreemdelingen regelen. Volgens artikel 4 van onze grondwet hebben allen, die zich op het grondgebied van het rijk bevinden, gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. De toelating en uitzetting van vreemdelingen is geregeld bij de wet van den 13aen Augustus 1849, gewijzigd in 1875; de algemeene voorwaarden, op welke met betrekking tot hun uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten,zijn bevat in de uitleveringswet van den April 1875, gewijzigd in 1892.

Vreemdelingenlegioen (Légion étrangère) is een Fransche legerafdeeling, gevormd uit elementen van alle naties, welke in 1831 te Toulon werd ingescheept om behulpzaam te zijn bij de verovering van Algerië. In 1834 was het 5600 man sterk en bestond uit 6 bataljons, waarvan er 4 uit Duitschers, 1 uit Spanjaarden en 1 uit Polen en Italianen waren samengesteld. Het had sterk te lijden van de wraak der inboorlingen, die het zich had berokkend door het uitmoorden van den stam El Oeffia in April 1832. Nog grootere verliezen leed het in de Maktamoerassen in den strijd tegen Abd el Kader. Aan Spanje afgestaan in zijn strijd tegen don Carlos bracht het dezen gevoelige nederlagen toe. Door gebrek aan voorzorg en voortdurende verliezen was het vreemdelingenlegioen in Maart 1837 tot 1400 man geslonken. Toch streed het den 24s,en Mei bij Huesca en den 3aen Juni bij Barbastro; den volgenden dag trokken de 500 man, die van de 7000, te Tarragona geland, waren over gebleven, Saragossa binnen. In het geheel keerden 400 man naar Frank-

Sluiten