Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kundige, is de schrijver van „Schatkamer ofte konst der stuurlieden, zijnde een manier om navigatie te leeren", een boek, dat nog in het eerste vierendeel van de vorige eeuw velen tot handleiding strekte. Het onderscheidt zich vooral van latere handboeken door dat de schrijver het guldengetal en de epacta leert vinden door middel van het duimgelal.

Vries, Cornelis de, een Nederlandsch letterkundige, geboren aan den Koog den 16den Augustus 1740, studeerde aan het seminarium der Doopsgezinden te Amsterdam en werd predikant te Enschede en in 1770 te Utrecht. In 1782 richtte hij de „Utrechtsche Courant" op, terwijl hij te Haarlem, waar hij zich in 1786 had gevestigd, met A. Doosjes de „Algemeene konst- en letterbode" uitgaf, waaraan hij tot 1809 als redacteur bleef verbonden. Behalve onderscheiden godgeleerde werken leverde hij een „Nauwkeurige beschrijving en verhaal van

ai ae plechtigheden ter gelegenheid van de 1508te verjaring der Utrechtsche hoogeschool, op 31 Mei 1786 gevierd" (1786). Hij overleed den 16den October 1842.

Vries, Jacobus Ouwerkerk de, een Nederlandsch koopman en letterkundige, geboren te Amsterdam in 1770, schreef een door de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen bekroonde verhandeling „0over de oorzaak van het verval des Nederlandschen handels en de middelen tot herstel" (1807), „Het godsdienstig onderwijs der Negerslaven en de bloei der kolonie Suriname in groot gevaar" (1841) enz. Hij overleed den 16den October 1842.

Vries, Abraham de, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Amsterdam den 208,en April 17 /3, studeerde aldaar in de letteren en godgeleerdheid, aanvaardde in 1795 de betrekking van adjunct secretaris bij het Comité van Algemeen Welzijn, doch ontving bij de omwenteling van 1798 zijn ontslag. In 1799 werd hij Doopsgezind predikant te Nijmegen, vervolgens te Leiden en in 1803 te Haarlem, Hij hield zich vooral bezig met het verzamelen van materiaal om de aanspraken van Coster op de prioriteit van de uitvinding der boekdrukkunst vast te stellen. Van zijn geschriften vermelden wij: „Rapport der Commissie, benoemd door den Raad der stad Haarlem, tot het onderzoek van het jaar van de uitvinding der boekdrukkunsten ter ontwerping van een plan voor de viering van het aanstaande eeuwfeest", „Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis der uitvinding van de boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster te Haarlem", „Korte beschrijving der boeken, door L. J. Coster ts Haarlem tusschen 1420 en 1440 gedrukt enz." (met Jacobus Koning), „Bewijzen voor de echtheid en gelijkenis der oude afbeeldingen van Coster" (1847), „Lotgevallen van Costers woning" (1851), „Hedendaagsche voorstelling van Coster en de uitvinding der boekdrukkunst in Frankrijk (1853)" en „Lijst der stukken betrekkelijk de geschiedenis van de uitvinding der boekdrukkunst berustende op het Raadhuis te Haarlem" (1862). Ook bewerkte hij een catalogus van de onder zijn toezicht geplaatste stedelijke boekerij te Haarlem. Hij overleed den 3dtn November 1863 te Haarlem.

Vries, Jeronimo de, een Nederlandsch letterkundige, een broeder van den voorgaande,werd geboren te Amsterdam den 9de" April 1777 studeerde aldaar en was er tot 1851 werkzaam op de secretarie. In 1799 was hij met Loots, A. R. Falck en D. J. van

Lennep redacteur van „De Arke Noaclis" en in 1811 benoemde de Geldersche hoogeschool hem eershalve tot doctor in de rechten. Hij schreef: „Gemeenzame gesprekken over de voornaamste leerstukkenvan den Christengodsdienst" (1792), „Jeremias de Decker als mensch en als dichter bekend gemaakt" (1807), „Proeve eener geschiedenis der Nederlandsche dichtkunde enz." (2ae druk, 4 dln., 1836), „Bloemlezing uit de reien der treurspelen van J. van den Vondel" (1819), „Hugo de Groot en Maria van Reigersbergen" (1827) en „Nederlandsche gedenkpenningen verklaard"(met J. C. de Jonge, 2de druk, 2 dln., 1829 —1837). Hij overleed den lsten Juni 1853 te Amsterdam.

Vries, Matthias de, een zoon van Abraham de Vries, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Haarlem den 9den November 1820, studeerde en promoveerde te Leiden in de letteren en werd er in 1846 praeceptor aan het gymnasium. Verder zag hij zich in 1838 te Goningen en in 1853 te Leiden tot hoogleeraar in de Nederlandsche taal en letterkunde benoemd. Hij schreef: „P. C. Hooft, Warenar met een inleiding en aanteekeningen" (1843), „Brief aan dr. W. J. A. Jonckbloet, bijdrage tot de kritiek en verklaring van Karei den Groote en zijn XII pairs" (1845), „De Nederlandsche taalkunde, beschouwd in haar vroegere geschiedenis, tegenwoordigen toestand en eischen voor de toekomst" (1840), „De heerschappij over de taal, het beginsel der welsprekendheid" (1850), ,„De Nederlandsche taalkunde in haar aard en strekking" (1853), „De visscherijen, geheeten het Vroon, ten jare 1433 aan de stad Leiden in erfpacht gegeven" (1858), „Die Nordfrisische Sprache, nach der Morineer Mundart, von B. Benrl-

sen" (1860), „Ontwerp van een Nederlandsch woordenboek, enz." (1852), „Proeve van Middelnederlandsche taalzuivering enz." ('1856'). .Middelneder-

landsch woordenboek", „Mededeelingen en opmerkingen betreffende het Nederlandsch Woordenboek" (1865), verder met L. A. te Winkel „De grondbeginselen der Nederlandsche spelling" (3de druk, 1873) en „Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche taal enz." (1852; 2de druk, 1872)". Het „Woordenboek der Nederlandsche taal", sedert 1855 traag in afleveringen (tot 1886 slechts 34) verschijnend en een schat van geleerdheid bevattend, werd door De Vries eerst met L. A. te Winkel en vervolgens met P. J. Cosijn en E. Verwijs bewerkt. Verder leverde hij 1844—1849 een uitgave van den „Lekenspiegel" van Boendale met inleiding en woordenlijst, en met Verwijs een van den „Spieghel Historiael" van Maerlant (3 dln., 1858—1863), later gevolgd door de „Tweede partie" van dat werk, door^ Philip TJtenbroeke gedicht. Eindelijk plaatste De Vries vele opstellen in taalkundige tijdschriften. Hij was eerelid van de Maatschappij van Nederlandsche letterkunde. Hij overleed den 9den Augustus 1892 te Leiden.

Vries, Willem Hendrik de, een Nederlandsch plantkundige, geboren te Oosterwijk den lld«i Augustus 1806, studeerde te Leiden, zag als student zijn antwoord op een academische prijsvraag met goud bekroond en vestigde zich na zijn promotie als geneesheer te Rotterdam, waar hij weldra het lectoraat in de plantkunde op zich nam aan de klinische school. In 1834 aanvaardde hij te Amsterdam en in 1845 te Leiden het hoogleeraarsambt in de plantkunde en verwierf door zijn uitstekende ver-

Sluiten