Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit Haar thuis, de titelrol in „Voerman Henschel", Jason in Medea, Narcissus, Cavaradossi in Flora Tosca en de hoofdrollen in de vele Bemstem-stukken. Een jaar heeft hij vervolgens een engagement gehad bij de Nederlandsche Tooneelvereeniging,waar hij optrad als blinde Sachel in Ghetto, Sero in De Schoone Slaapster, beide van Heyermans-, als de metselaar in Hauplmann's Hannele's Himmelfahrt, in de titelrol van Clara Viebigs De Boer van den Mosenhof. Gedurende het jaar 1910—1911 was hij verbonden aan „Het Tooneel" onder de directie van Willem Royaards en vierde hier zijn 10-jarig jubileum als Uriël Acosta in Gutzkaufs drama van dezen naam. In tal van vroeger door hem gespeelde rollen trad hij ook hier op, o.a. 60 maal als Pancras Duif, als Hartmann in Philippïs Asra, als Simson in liernstem's Simson, terwijl van zijn nieuwe rollen genoemd dienen te worden: de rechter in Paul LindmCs De Andere en Christoffel Rott in Schönheris Geloof en Geboortegrond. Voor het seizoen 1911—1912 is hij verbonden aan De Nederlandsche Tooneelvereeniging. Zijn geheele repertoire bevat ruim 200 rollen en zijn kracht ligt in het dramatische en de heldenrollen.Oorspronkelijk in zijn spel te zeer den invloed van Bouwmeester verradend, slaagt De Vries er den laatsten tijd in, geheel zich zelf te zijn, wat aan zijn artistiek succes zeer ten goede komt.

Vries, Sophie Louise Maria Elisabeth de, een Nederlandsch tooneelspeelster, geboren den 26ston Maart 1873 te Rotterdam, zou opgeleid worden tot pianiste en bezocht daarvoor het conservatorium te Amsterdam. Weldra echter ging zij naar het tooneel over en debuteerde in 1891 bij de koninklijke vereeniging het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam als Suzanna in „De Wereld, waarin men zich verveelt". Zij bleef tot 1898 bij dit gezelschap en speelde in dien tijd een aantal rollen als ingénue, jeune coquette en jeune première. Wij noemen daarvan Lilly in „Circusmenschen", Herma in „Beroemde Vrouwen", Germainein „Jaloersch", Jeanne in „Niemand sterft van blijdschap", Hilde in „De Vrouw der Zee", Leentje in „Het Fabriekskind", Nastasia in „Raskolnikoff" en „De rei van Klarissen" in „Gijsbrecht van Aemstel". In het volgende jaar bleef zij wegens ongesteldheid zonder engagement en trad in 1899 in het huwelijk met den tooneelspeler D. 11. Brondgeest, welk huwelijk in 1908 werd ontbonden. Met haar echtgenoot vertrok zij naar Rotterdam en trad thans voor het eerst in dramatische hoofdrollen op. Zij speelde er gedurende een jaar in den Tivolischouwburg onder directie van Jan Mulder, vervolgens drie jaar in den Grooten Schouwburg onder directie van P. D. v. Eysden. Daarna maakte zij deel uit van het Brondsgeest ensemble, dat in den Tivolischouwburg speelde en waarvan haar echtgenoot directeur werd. Daar vervulde zij o.a. de hoofdrollen in „Rose Bernt" van Hauptmann, „Grootste zonde" van Ollo Ernst, „Salome" van Oscar Wilde, „Carnaval" van Hartleben enz. Vervolgens vertrok zij met dit ensemble naar Ned. Oost-Indië,waar zij o.a. optrad in „Madame Sans-Gêne", „Opstanding", „Vorstenschool", „Op Hoop van Zegen" en „Oud-Heidelberg". Na een jaar keerde zij met haar echtgenoot naar Europa terug, waar een nieuw gezelschap werd gevormd, en daarmee vertrok zij na drie maanden opnieuw naar Indië. Toen dit ensemble zes maanden na de aankomst in Indië werd ontbonden, bleef zij er achter en hield op Java en Sumatra een aantal voordrach¬

ten. Na haar terugkeer in Europa gaf zij in Nederland en België een aantal gastvoorstellingen, vervolgens maakte zij van 1908—1909, als lid van het Nederlandsch-Indisch tooneelgezelschap onder regie van L.H. Chrispijn Sr., haar derde tournée door Indië. Na haar terugkeer werd zij in September 1909 verbonden aan de N. V. „Het Tooneel", onder directie van Willem Royaards. Van de overige stukken, waarin zij de hoofdrol speelde, noemen wij nog: „Dwaze maagd", „Vroolijke vrouwtjes van Windsor", „Het Voetlicht", „Schakels" en „Simson".

Vries, Jan de, een Nederlandsch wiskundige, werd den lsten Maart 1885 te Amsterdam geboren, waar hij zijn voorbereidende opleiding genoot. Hij bezocht vervolgens een hoogere burgerschool te Düsseldorf en was van 1876 tot 1880 student te Amsterdam, waar hij den 2den Juli promoveerde tot doctor in de wis- en natuurkunde op een proefschrift, getiteld: „Bolsysternen". Van 1880 tot 1892 was hij leeraar aan de hoogere burgerschool te Kampen, van 1892 tot 1894 te Haarlem, van 1894 tot 1897 loeraar aan de Polytechnische school te Delft en werd in 1897 benoemd tot hoogleeraar in de wiskunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, welk ambt hij den 27s,en April aanvaardde met een rede over: „De meetkunde van het aantal". Sedert 1894 is hij lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Zijn wetenschappelijke arbeid is verspreid in verschillende uitgaven van binnen- en buitenlandsche genootschappen, zooals: „Koninklijke Academie,"„K.K.Akademie der Wissenschaften zu Wien", verder in „ActaMathematica," „Mathematische Annalen," „Archives Néerlandaises" enz. Hij is sedert 1897 redacteur van de „Wiskundige opgaven," uitgegeven door het „Wiskundig Genootschap."

Vriese, Lodewijk de, geboren te Gent den 86ten October 1848, was ambtenaar bij het provinciaal bestuur van Oost-Vlaanderen, van 1867-—1675, van 1875—1886 bestuurder der weekbladen voor liberale propaganda en is thans uitgever in zijn geboortestad. Hij schreef: „Geschiedenis van een paar halve laarzen met dubbele zolen", zedenschets (1865), „Beschrijving der feesten, gegeven ter gelegenheid der inhuldiging van Koning Leopold II"(1866), „Luimige Brokken,schetsen uitliet vlaamsche volksleven" (1870), „Twee Werklieden," bekroond Volksverhaal (1872),,,Twee Volksjongens" „Wat het is klerk te zijn", (1873), „Beknopt Handboek van den Ambtenaar des Burgelijken Stands" (1874), „Gentsche Spreekwoorden en spreekwijzen" (Drie uitgaven, 1890, 1891 en 1907). Verder gaf hij uit: „Meiloover, Nederlandsch letterkundig jaarboekje", (1867, 1868 en 1869), „Jaarboek van den Belgischen Tuinbouw" (1900, 1904, 1908, 1911), en de vertaling van: „Kieswetboek"(1872) en „Militiewet"(1873). Hij is thans (1911) bestuurder-uitgever van „Gent XX8te eeuw", geillustreerd maandschrift, gewijd aan Kunst, Letteren, Geschiedenis en Plaatselijke belangen.

Vriesia behoort tot de groote familie der Bromeliaceae met 600—700 soorten. Het zijn doorgaans blijvende planten met verkorte stammen, meestal epiphytisch levend en voorzien van luchtwortels. De bloei-inflorescentie komt voor in aren of trossen.

De Vriesia verlangt zeer lichten grond, gemengd met sphagnum, en een temperatuur van 10—20° C. De belangrijkste soorten, die door blad of bloei-

Sluiten