Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verloskundige, die alleen in normaal verloopende gevallen haar hulp mag verleenen. Bij een abnormale verlossing is zij verplicht de hulp van den geneeskundige in te roepen. Het gebruik van verloskundige werktuigen is haar bij de wet verboden.

Vroeggeboorte noemt men de geboorte van een nog ri"t voldragen kind, dat echter reeds zoo ver tot ontwikkeling is gekomen, dat het, afgezien van ziekelijke storingen, levensvatbaarheid bezit. Vroeggeboorten vallen tusschen de 29ste en de 38ste week van de zwangerschap; een vrucht, die vóór dien tijd ter wereld komt, bezit geen levensvatbaarheid en wordt misgeboorte (zie aldaar) genoemd. Kinderen, die vóór het einde van de 308te week geboren worden, blijven echter zelden in leven; hoe meer de termijn tot het normale einde van de zwangerschap (einde van de 408te week) nadert, des te grooter is de kans, dat het kind leven blijft. De oorzaken van de vroeggeboorte zijn dezelfde als die van de misgeboorte. Onder kunstmatige vroeggeboorte verstaat men de opzettelijk door een geneesheer veroorzaakte te vroege geboorte. Deze kan noodig zijn, wanneer het bekken van de moeder te nauw is om de geboorte van een normaal kind mogelijk te maken, of wanneer het voortduren van de zwangerschap het leven van de moeder in gevaar zou brengen. De kunstmatige vroeggeboorte werd in 1766 voor het eerst door Macaulay uitgevoerd. De toegepaste methoden zijn zeer verschillend. In geen geval kan men deze kunstbewerking als een gemakkelijk en ongevaarlijke operatie beschouwen. Groote voorzichtigheid, veel zaakkennis en een nauwgezette antiseptische behandeling zijn noodig om schadelijke gevolgen voor moeder en kind te voorkomen. Te vroeg geboren kinderen moeten zorgvuldig verpleegd en gevoed worden. Voor de eerste weken is de verpleging in een couveuse (zie aldaar) zeer aan te bevelen.

Vroegrijpheid noemt men bij jonge individuen een ontwikkeling, die in verhouding tot den leeftijd de normale ontwikkeling overtreft. Zij komt zoowel bij planten en dieren als bij menschen voor. Bij den mensch kan zij zoowel met betrekking tot den geest als tot het lichaam voorkomen. Er zijn vroegrijpe kinderen geweest, die op zesjarigen leeftijd in grootte en kracht met een volwassen mensch overeenkwamen; sommige bezaten op nog vroegeren leeftijd reeds al de kenmerken van den mannefijken leeftijd (Beuzengroei. Zie Reuzen). Meestal gaat met zulk een ontwikkeling een stilstand of achteruitgang van het geestelijk leven en een vroege dood gepaard. Ook heeft men omgekeerd bij een normale lichamelijke ontwikkeling, een buitengewone vroegrijpheid van geest bij kinderen waargenomen (zoogenaamde wonderkinderen). De beide meest bekende wonderkinderen uit de geschiedenis zijn Chr. H. Heineken van Lübeck, die den 6den Februari 1721 werd geboren en Bataviers, geboren den 19deE Januari 1721 te Schwalbach in Franken. De eerste leerde op een leeftijd van 10 maanden alle dingen kennen en benoemen, kende nog voor dat hij één jaar oud was de geschiedenis van de 5 eerste Bijbelboeken en begon op een leeftijd van 15 maanden met de wereldgeschiedenis, op 3 jarigen leeftijd was hij volkomen bekend met de Deensche geschiedenis en leerde Latijn lezen. Hij overleed reeds op vijfjarigen leeftijd. De tweede leerde op 3 jarigen leeftijd lezen, sprak met 6 jaar 3 talen, verstond met 8 jaar den Bijbel in de

oertaal, legde zich daarna op de wiskunde en de rechtswetenschappen toe, doch begon er reeds zeer vroeg oud uit te zien en overleed op twintigjarigen leeftijd. Ook Torqualo Tasso, Johan Pico van Mirandola, Melanchton, Hugo de Groot en Stuurt Mill vertoonden op jeugdigen leeftijd een ontwikkeling, die hun leeftijd ver vooruit was. Over de oorzaak van deze verschijnselen is niets bekend. Daar geestelijk vroegrijpe kinderen meestal jong sterven, is het de plicht van de ouders hun ontwikkeling zooveel mogelijk terug te houden, in plaats van deze te bevorderen, zooals uit ijdelheid of berekening dikwijls gesch iedt.

Vrolik, Gerardus, een Nederlandsch anatoom en plantkundige, geboren te Leiden den 258ten April 1775, werd reeds vóór zijn promotie door curatoren van het Athenaeum illustre te Amsterdam voorgedragen als hoogleeraar in de botanie. Na het verwerven van den doctorsrang aanvaardde hij genoemd professoraat en werd in 1820 tevens belast met het onderwijs in de physiologie, ontleed- en verloskunde. Hij overleed te Amsterdam den 10den November 1859. Behalve onderscheidene verhandelingen en redevoeringen leverde hij talrijke opstellen in natuurkundige tijdschriften. Zijn anatomisch museum verwierf onder den naam „Museum Vrolikianum" een groote vermaardheid.

Vrolik, Willem, een Nederlandsch geneeskundige, een zoon van den voorgaande, geboren te Amsterdam den 29sten April 1801, studeerde te Utrecht in de geneeskunde, vertoefde eenigen tijd te Parijs en promoveerde in 1823, waarna hij zich als geneesheer vestigde te Amsterdam. In 1829 werd hij buitengewoon hoogleeraar te Groningen en in 1831 hoogleeraar in de ontleedkunde en de physiologie aan het athenaeum te Amsterdam. Hij maakte zich vooral bekend door zijn onderzoekingen op het gebied der vergelijkende ontleedkunde. Behalve talrijke monographieën, levensberichten van beroemde personen, redevoeringen, opstellen in tijdschriften enz., schreef hij o. a. „Het leven en maaksel der dieren"(3 dln., 1853—1860). Hij overleed den 20ston December 1863 te Amsterdam.

Vrolijk ,JohannesMartinus, eenllollandsch landschapschilder en etser, werd geboren te 's Gravenhage den lsten Februari 1845 en overleed aldaar den 2den September 1894. Hij was een leerling van P. Stortenbeker. Vooral door zijn weidegezichten met vee, inzonderheid koeien, heeft hij zich populair gemaakt. Werken van zijn hand bevinden zich o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam en in het Gemeentemuseum te Gravenhage.

Vroom, Hendrik Cornelisz, een Hollandsch zeeschilder, werd geboren te Haarlem in 1566 en overleed aldaar in 3640. Zijn vader sneed beelden en maakte kunstaardewerk, waarmede HendrikVroom in zijn jeugd ook zijn brood verdiende. Na allerlei zwerftochten ging hij naar Spanje en schilderde daar faience. Vandaar kwam hij te Rome, waar Paulus Bril hem aanmoedigde zich op de schilderkunst toe te leggen. Na o. a. in Venetië, Milaan Genua, Lyon, Parijs en Rouaan geweest te zijn, keerde hij eindelijk te Haarlem terug en begon daar met schilderen. Een jaar later trok hij er weer op uit. In 1596 was hij wederom in Haarlem en begon toen schepen en zeestukken te schilderen. Ook teekende hij patronen voor gobelin-fabrieken, o. a. eenige met voorstellingen van gevechten van de

Sluiten