Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sten van de vrouw in het huisgezin steeds minder gemist konden worden.

Ook bij de middel- en hoogere burgerklassen zijn het voor een deel omstandigheden van materiëelen aard geweest, die de vrouwen tot loondienst noodzaakten. Voor het grootste deel echter bestonden hier andere motieven. Met het toenemen van de beschaving en een verhoogd gevoel van eigenwaarde ontstond de drang naar vrije bezigheden en het streven naar rechten voor de vrouw. Het aantal ongehuwde vrouwen nam, door de voortdurende hoogere eischen, die aan de inrichting van een huishouding werden gesteld, meer en meer toe. Aanvankelijk verboden de heerschende vooroordeelen meestal aan deze vrouwen een zelfstandige positie te verwerven. De vroegere toevluchtsoorden voor haar, de kloosters, ontbraken in de Protestantsche landen. De slechte positie van deze vrouwen, die zoowel economische zelfstandigheid als een bevredigenden werkkring misten en wier levenslot dikwijls aan het toeval was overgelaten, is in de eerste plaats de oorzaak geweest van de vrouwenbeweging. Daardoor echter ontstond ook een verandering van de positie en van de eischen van de gehuwde vrouw. Meer en meer brak de overtuiging zich baan, dat zij niet de ondergeschikte, maar de gelijke van den man is, dat de een niet over den ander moetheerschen, maar dat zij elkander dienen aan te vullen. Hoewel dit door de ultrafeministen over het hoofd wordt gezien, kan een volkomen gelijkheid tusschen man en vrouw op elk gebied nooit het streven van de vrouwenbeweging zijn, daar met het verschil van geslacht een natuurlijk verschil van lichamelijke gesteldheid, van geest en gemoed gepaard gaat; vandaar ook dat door de meer bezadigde voorstanders en voorstandsters naar gelijkheid van rechten op economisch, sociaal, juridisch, geestelijk en zedelijk gebied voor beide geslachten gestreefd wordt, zoodat de gaven van de vrouw zich even vrij kunnen ontwikkelen, als die van den man en haar arbeidsgebied uitgebreid wordt.

In de meeste staten is de gelegenheid voor de vrouw om zich te ontwikkelen en voor een beroep voor te bereiden, reeds zeer veel verbeterd. In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika heeft men niet alleen afzonderlijke hoogescholen voor vrouwen, ook de meeste andere hoogescholen staan voor beide geslachten open. In Engeland werd het eerste vrouwencollege in 1869 te Cambridge geopend en aan de bezoeksters daarvan ook de toegang tot de universiteit verleend, later volgden de overige hoogescholen, ook de Schotsche; alle graden kunnen echter alleen te Londen, Durham, Manchester, Dublin, Aberystwith en Glasgow behaald worden. Op het vasteland verleende Zwitserland aan de vrouwen het eerst toegang tot de universiteit, en ook thans nog vindt men daar naar verhouding de meeste vrouwelijke studenten. Van alle ingeschreven studenten zijn 40—60 % vrouwen, waarvan het grootste deel uit het buitenland komt. In Rusland ontstonden reeds tusschen 1870 en 1880 speciale wis- en natuurkundige, philologische en geschiedkundige cursussen voor vrouwen aan de universiteiten. In 1897 werd te St. Petersburg een geneeskundige hoogeschool voor vrouwen opgericht, nadat een vroegere cursus voor vrouwen in 1888 weder was opgeheven. De universiteit te Parijs verleende in 1868 aan vrouwen de gelegenheid in de medicijnen te studeeren, later ook in andere vakken van wetenschap. Zweden en Finland

openden hun universiteiten in 1870 voor de vrouwen, Denemarken in 1875, Italië in 1876, België in 1880, Noorwegen in 1884, Ierland in 1886, Spanje en Roemenië in 1888, Griekenland in 1890. Baden was de eerste Duitsche staat, die vrouwen in zijn hoogescholen toeliet (1891), eenige jaren later volgden Bderen, Württemberg, Saksen en Hessen. In Pruisen kregen de vrouwen eerst in 1908 het recht als student ingeschreven te worden; vóór dien tijd werden zij alleen als toehoorderessen toegelaten. Aan de universiteiten te Straatsburg en Rostock is de inschrijving van vrouwen nog niet mogelijk. In Oostenrijk is alleen de studie aan de philosoflsche faculteit, in Hongarije ook de studie in de medicijnen en de pharmacie aan de vrouwen onder dezelfde voorwaarden toegestaan als aan de mannen. In ons land werd voor 39 jaar aan de eerste meisje-studente, Aleila H. Jacobs, na gevraagd verlof, door Thorbecke voorwaardelijk toegestaan aan de Groningsche hoogeschool te studeeren in de medicijnen en van 1871 tot 1910 studeerde 1559 vrouwen aan onze universiteiten, in de laatste jaren ook aan de Technische Hoogeschool en zelfs aan de Vrije Universiteit. Daarvan legden 262 of ruim 16 % met goed gevolg academische examens af.

In nauw verband met de studie aan de hoogescholen staan de voorbereidende studiën. In ons land staan voor meisjes de gymnasia en de hoogere burgerscholen open, zoodat haar opleiding geheel gelijk kan zijn aan die van de jongens. In sommige andere landen is dit ook het geval, in andere heeft men afzonderlijke voorbereidende scholen voor meisjes. De meeste vrouwen, die gestudeerd hebben, zijn werkzaam bij het onderwijs of als geneeskundigen. Het arbeidsveld voor de vrouw is in den laatsten tijd belangrijk uitgebreid, zoo bij de posterijen, de telegrafie, den spoorwegdienst, den handel enz. Wel zullen sommige beroepen meer geschikt blijven voor mannen, daartegenover staan echter een groot aantal andere, waarin de werkkracht van de vrouw beter tot haar recht zal komen, dan tot nu toe het geval is geweest. Door de ervaring zal langzamerhand aan ieder zijn gebied worden aangewezen, zoodat ook hier de geslachten elkander zullen aanvullen. In de meeste staten beweegt het aantal vrouwen, dat zich aan een bepaald beroep wijdt, zich tusschen 21— 29 % van de vrouwelijke bevolking. Het laagste cijfer wijst Rusland aan met 8 %; daarop volgen Spanje met 14,2 %, de Vereenigde Staten met 14,3%, Nederland met 16,8 %, Zweden met 20 %, Noorwegen met 24 %, Ierland met 24,2 %, Engeland en Wales met 24,8 %, Duitschland met 25 %, Schotland met 25,8 %, Hongarije met 26,7 %, België met 28,1 %, Denemarken met 28,2 %, Zwitserland met 29,5 %, Italië met 32,4 %, Frankrijk met 34,8 % en Oostenrijk met 42,8 %. Deze cijfers geven echter geen juist beeld van den werkelijken toestand, daar het begrip beroep meer of minder ruim kan genomen worden.

De kwestie, die bij den tegenwoordigen stand van zaken voor de vrouwenbeweging van het meeste belang is, is haar staatkundige positie. Reeds onmiddellijk na het uitbreken van de Fransche revolutie werd in de „Verklaring van de vrouwenrechten",, die door Olympia de Gouges na het verschijnen van de „Verklaring van de menschenrechten" werd geformuleerd, de eisch naar actief en passief kiesrecht uitgesproken. Deze beweging eindigde echter na korten tijd; in 1830 herhaalde zij zich en ontving toen

Sluiten