Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den naam van emancipatie (zie aldaar). Na 1848 kreeg zij echter meer invloed en breidde zich ook over andere landen uit. Ondanks tegenstand van vele zijden, komen de meeste staatslieden meer en meer tot de overtuiging, dat de politieke onmondigheid van de vrouw niet alleen een groote onbillijkheid is tegenover de eene helft van het menschelijk geslacht, maar ook dat de maatschappij nadeel ondervindt van de omstandigheid, dat de wetten alleen door mannen worden gemaakt (zie Kiesrecht). In Engeland wordt de strijd voor het vrouwenkiesrecht op het oogenblik het heftigst gevoerd en wel door de zoogenaamde suffragettes. In 1904 stemde het Lagerhuis met een groote meerderheid voor de invoering van het vrouwenkiesrecht, tot nu toe heeft het Hoogerhuis tegenstand geboden, ofschoon de suffragettes geen middel onbeproefd laten (luidruchtige demonstraties en optochten, dikwijls gevolgd door hechtenis en straffen) om haar doel te bereiken. Op de gemeenteverkiezingen bezitten de vrouwen eenigen invloed. Sedert 1869 bezitten de ongehuwde vrouwen en weduwen het actieve kiesrecht voor den gemeenteraad in de steden, in 1888 ontvingen zij, met uitzondering van de gehuwde vrouwen en de ongehuwde vrouwen, die geen huurder of bezitter van een huis zijn, het actieve kiesrecht voor den graafschapsraad. De Local Government Act van 1894 gaf haar voor de gemeente- en de distriktsraden, verder voor de armenraden, het passieve zoowel als het actieve kiesrecht. Het voorzitterschap en het ambt van vrederechter kunnen echter alleen door mannen bekleed worden. Sedert 1870 bezitten gehuwde en ongehuwde vrouwen reeds het actieve en passieve kiesrecht voor de schoolraden. In Schotland ontvingen vrouwen, die in het bezit van een

nuis zijn, omstreeks 1880 en in Ierland alle vrouwen, die belasting betalen, in 1887 het kiesrecht voor den gemeenteraad. Sedert 1896 bezitten zij in Ierland het actieve en het passieve kiesrecht voor het armbestuur. In Noorwegen ontvingen de vrouwen in 1901 het actieve en passieve kiesrecht voor den gemeenteraad, zoodra zij belasting betalen van een inkomen van 400 kronen in de stad of 300 kronen op het land. In 1911 werd de eerste vrouw tot lid van den gemeenteraad gekozen. Ook in Zweden hebben de vrouwen eenigen invloed op de gemeenteraadsverkiezingen. Slechts in enkele staten van NoordAmerïka bezitten de vrouwen stemrecht voor de volksvertegenwoordiging of den gemeenteraad, in de meeste wel voor de schoolraden. De meeste staatkundige rechten bezitten de vrouwen in de jongere staten, o. a. in Nieuw-Zeeland en de meeste Australische koloniën. In ons land daarentegen blijft op dit gebied haast nog alles te doen. In alle beschaafde landen bestaan thans vereenigingen, die de staatkundige positie van de vrouw trachten te verbeteren. In Nederland werken hiervoor vooral: de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (zie aldaar), de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht (zie aldaar) en de Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht. Als feministische vereenigingen vallen verder te noemen: de Vrije Vrouwenvereeniging, de oudste van alle, de Groningsche Vrouwenbond, de Vereeniging tot Behartiging van de Belangen der Vrouw, de Vereeniging tot verbetering van den maatschappelijken en den rechtstoestand der vrouw in Nederland, de Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid met haar Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid, het

Nationaal Comité inzake wettelijke Regeling van Vrouwenarbeid en de Nationale Vrouwenraad van Nederland, die ruim 30 vereenigingen omvat.

Vrouwen- en Kinderarbeid. Zie Arbeidersbescherming, Arbeidswetgeving, Kinderarbeid en Vrouwenbeweging.

Vrouwenkiesrecht, NederlandscheBund voor, werd den 278ten Februari 1907 in een daartoe belegde vergadering te 's Gravenhage opgericht, en wel wegens de ontevredenheid van een aantal leden van de reeds bestaande Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (zie aldaar) over den gang van zaken en de heerschende ultra-feministische richting in deze vereeniging, waarbij nog kwam, dat vele voorstanders van vrouwenkiesrecht, naar aanleiding van de houding der Vereeniging, niet genegen waren zich bij haar aan te sluiten. Er werd een Voorloopig Comité gevormd en daaruit een commissie benoemd, bestaande uit de dames mevrouw Wijnandts-FrankenDyserinck, de ziel van den Bond, en mr. Van Dorp en den heer mr.Lasonder. Hun streven werd met succes bekroond, want op de eerste jaarvergadering in Mei 1911 telde de Bond reeds 14 afdeelingen met ongeveer 800 leden, terwijl op 1 Mei 1911 de Bond uit 56 afdeelingen met 4200 leden bestond.

Het doel van den Bond is, volgens de statuten:

1°. het vormen van een vereenigingspunt, voor allen, die Vrouwenkiesrecht 't zij actief alleen, 't zij actief en passief beide, voorstaan;

2°. het doen ingang vinden van de meening, dat het kiesrecht niet mag onthouden worden op grond van sekseverschil..

Daarnevens wil de Bond het denkbeeld „Vrouwenkiesrecht" ingang doen vinden ook in die kringen en in die plaatsen, waar men er tot nu toe onverschillig voor was. Omdat de Bond een zuivere propaganda" vereeniging is en niets meer dan dat, is vastgesteld dat de leden en voorstanders vrij moeten blijven hun meening in zake vrouwenkiesrecht ondergeschikt t.e

maken aan hun opvatting van het algemeen belang, aan hun politieke zienswijze.

De vereeniging tracht haar doel te bereiken door: 1°. eiken man of vrouw in de gelegenheid te stellen zijn instemming met het vrouwenkiesrecht overeen¬

komstig zijn politieke inzichten kenbaar te maken, door hetzij als lid, hetzij als voorstander der vereeniging toe te treden;

2°. het houden van lezingen, cursussen en vergaderingen en het uitgeven van geschriften.

Vandaar dat de Bond zich niet uitspreekt over de wijze, waarop het kiesrecht geregeld moet worden, noch over het tijdstip, waarop de invoering wenschelijk zal blijken. Uit den aard der zaak zal de Bond zich dus nimmer in eenige politieke actie mengen; alle leden — zoowel bestuurders als gewone leden — blijven persoonlijk geheel vrij te propageeren voor een politieke partij.

3°. het bestudeeren van- en het verspreiden van kennis omtrent het vraagstuk van het Vrouwenkiesrecht;

4°. het voorlichten der vrouw ten aanzien van alle vraagstukken, die voor haar met het oog op haar burgerschapsrechten van belang zijn.

Gezien de wijze van optreden van eenige Engelsche vrouwen, heeft de Bond gemeend één verplichting zijn leden te moeten opleggen, n.L om zich nimmer tot relletjes of wanordelijkheden te leenen of er toe aan te zetten.

Sluiten