Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigingen, de eigenlijke vrijmetselarij echter zetelt in Hongarije. Aldaar omvat de Groot-Loge 58 loges. Het Groot-Oosten in Italië telt 197 loges, het GrootOosten van Lusitanië in Portugal 25 loges, het GrootOosten in Spanje 95 loges, dat voor Griekenland 16 loges. In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika bestaan 50 Groot-Loges met 11456 dochterloges, buitendien heeft bijna elke staat een Groot-Loge voor kleurlingen, waarvan de oudste de Prince-HallGroot-Loge te Boston is. Buitendien bestaan er in de overige landen buiten Europa nog een aantal loges en Groot-Loges.

Den l8ten Januari 1910 bedroeg het totaal aantal loges van de geheele wereld 22 447 met 1 744 878 leden; daarvan bezat Europa 5 865 loges met 372 626 leden, Noord-Amerika 14 459 loges met 1 275 930 leden. Middel-Amerika 212 loges met 8206 leden, Zuid-Amerika 1070 loges met 37 394 leden, Australië 750 loges met 40 722 leden, de overige loges komen op Azië en Afrika. Sedert 1 Januari 1903 bestaat te NeufchStel onder bescherming van de Zwitsersche Groot-Loge Alpina een inrichting, die ten doel heeft het verband tusschen de verschillende vrijmetselaarsvereengingen van de heele wereld te versterken.

De literatuur over de vrijmetselarij is zeer uitgebreid. Sedert de uitgave van het constitutieboek van 1723 zijn meer dan 10 000 werken verschenen. Bibliografieën uit lateren tijd zijn die van Klosz (1844), Findel en Taute (1886). De meeste werken over de vrijmetselarij zijn in Duitschland geschreven. Wij noemen slechts de namen van Lessing, Klosz, Findel, Marbach en Krause. Voor Nederland noemen wij: „Annales Chronologiques littéraires et historiques de la Franc-Magonnerie des PaysBas" (1822—1829), waarin de voornaamste bronnen voor een geschiedenis van de vrijmetselarij worden vermeld. Verder komen in aanmerking: „Geschiedenis van de Orde en VV.\ MM.-, in Nederland" van mr. H. Maarschalk (1872) en „Woordenboek voor Vrijmetselaren" van Carpentier Alting (1884,) terwijl het officiëele bulletin van het Groot-Oosten belangrijke mededeelingen bevat.

Vrijmetselaarsorde. Zie Vrijmetselaarsbond.

Vrijmetselarij. Zie Vrijmetselaarsbond.

Vrij scharen noemt men de troepen, welke in gevallen van volksoorlogen uit vrijwilligers worden samengesteld. In den nieuweren tijd traden zij vooral in den Sonderbundsoorlog van Zwitserland (1846), in den Holsteinschen Oorlog (1849), in de tochten van Garibaldi ter verovering van Napels en Sicilië (1860) en tegen den Kerkelijken Staat en in Frankrijk (1870) op. In het algemeen zijn haar verrichtingen door gebrek aan oefening en discipline gering. Volgens het moderne volkenrecht is het werven of vormen van vrijscharen aan neutrale staten verboden.

Vrij schip, vrije lading: is een grondslag van het moderne volkenrecht, volgens welken de vijandelijke privaatbezittingen, die zich op onzijdige schepen bevinden, in den zeeoorlog niet mogen worden buitgemaakt. Men pleegt dat uit te drukken door: „De vlag dekt de lading". De regel van den landoorlog, dat de privaatbezittingen door den vijand ongeschonden worden gelaten, is in het zeerecht nog niet algemeen doorgedrongen. Toch heeft men sedert het einde van de 18de eeuw meer en meer toegegeven, dat de neutrale vlag ook de lading dekt.

Het is de consequentie hiervan, dat in open zee ieder schip staat onder de opperhoogheid van den staat, onder welks vlag het vaart. Op het Parijsclie congres (1856) werd de regel „de vlag dekt de lading" en deze andere, dat een onzijdige lading onder een vijandige vlag onschendbaar is, door een afzonderlijke verklaring (den 16den April) vastgesteld.

Vrijschutter is, volgens de legende, een mensch, die, door een verbond met den duivel, inliet bezit is gekomen van vrijkogels, waarmede hij treffen kan wat of wien hij wil. Intusschen geldt dit slechts voor 6 vrijschoten; het zevende wordt in zijn loop bepaald door den Booze. Deze sage werd het eerst door J. A. Apel in zijn „Gespensterbuch" als novelle behandeld. Later gerbuikte F. Kind haar als tekst voor de opera „Der Freischütz", die, gecomponeerd door C. M. v. Weber, wereldberoemd is geworden.

Vrijsteden of Vrijplaatsen noemde men zulke plaatsen, die niet verplicht waren misdadigers, die bij haar een toevlucht hadden gezocht, uit te leveren. Tot de Nederlandsche vrijplaatsen behoorden vroeger Kuilenburg en Vianen.

Vrijwaring1 noemt men in rechten den waarborg, door den verkooper van een vast goed aan den kooper gegeven, dat deze na aanvaarding en betaling van het gekochte in den onbetwisten eigendom daarvan zal blijven en om geen onbekende, daarop rustende lasten aangesproken zal worden.

Vrijwillig'ers noemt men personen, die uit eigen beweging in militairen dienst treden. Zij staan dus tegenover degenen, die door loting tot den krijgsdienst gedwongen zijn. Bij de Romeinen waren vrijwilligers (voluntarii) de veteranen, die hun aantal veldtochten reeds hadden uitgediend (emeriti) en bij een oproep weder onder de wapenen kwamen. Alle legers, welke aan de Kruistochten deelnamen, bestonden uit vrijwilligers en sedert de 14de eeuw waren alle soldeniers eveneens vrijwilligers.

Vrijzinnig-Democratische Bond stelt zich ten doel een georganiseerd optreden te bevorderen van alle democratisch gezinde vereenigingen en personen, die zich met de onderstaande beginselen vereenigen: 1. De Vrijzinnig-Democratische Bond streeft naar ontwikkeling van onzen constitutioneelparlementairen regeeringsvorm in democratischen zin en te dien einde naar algemeen kiesrecht voor de vertegenwoordigende lichamen en naar gelijkstelling, ook wat de verkiesbaarheid tot lid dier lichamen betreft, van mannen en vrouwen. 2. De Vrijzinnig Democratische Bond spreekt als beginsel uit, dat door een krachtige sociale wetgeving moet worden aangestuurd op het wegnemen van de maatschappelijke oorzaken, welke tusschen de leden van het volk ongelijkheid scheppen of versterken ten aanzien van hun ontwikkelingsvoorwaarden. Hij is van oordeel, dat, ter verkrijging van maatschappelijken vooruitgang, tempering, niet verscherping van den klassenstrijd noodzakelijk is. Eenerzijds keurt hij af het streven naar afschaffing van het persoonlijk eigendomsrecht op de productie-middelen; anderzijds verwerpt hij de meening, dat de staat in het economisch leven zijner burgers slechts noodgedrongen, schoorvoetend behoort in te grijpen.

De beginselen van den Bond zijn samengevat in het volgende programma van actie, vastgesteld in Februari 1909: Algemeen kiesrecht en grondwetsherziening, die hiervoor en voor vrouwenkiesrecht een waarborg zal opleveren. In de tweede plaats zal

Sluiten