Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klappers enz.) en samengesteld vuurwerk. Dit laatste wordt weder verdeeld in stilstaand (sterren enz.) en beweeglijk vuurwerk (spiralen, zonnen enz.).

Het gebruik van vuurwerk is reeds zeer oud. Reeds in 1379 werd te Vicenza bij gelegenheid van het vredesfeest een vuurwerk ontstoken. In 1519 liet Jacob Fugger te Augsburg een vuurwerk gereed maken ter viering van de kroning van Karei V tot Roomsch koning. De meeste en fraaiste uitvindingen op dit terrein dankt men aan twee Italianen, Ruggieri (vader en zoon), die zich te Rome, Parijs enz. door historisch geworden vuurwerken bekend maakten. Als oorlogswerktuig was de vuurpijl reeds in de 9de eeuw n. Chr. in het O. bekend en verbreidde zich van daar ook naar het W. Door de uitvinding van de vuurwapens kwamen zij hier echter op den achtergrond,totdat de Engelschen bij hun gevechten in Oost-Indië in de 18de eeuw de brandraketten van de inlanders leerden kennen. Tengevolge hiervan voerde de Engelsche generaal Congreve de zoogenaamde Congrevische vuurpijlen in Europa in. In den laatsten tijd kwamen zij echter weder op den achtergrond.

Vuurwortel. Zie Pyrethrum.

Vuylsteke, Julius Pieter, een Vlaamsch letterkundige en staatsman, geboren te Gent den 3()8ten November 1836, studeerde aldaar in de rechten en vestigde er zich als advocaat, later werd hij er boekhandelaar en ambtenaar aan het stedelijk archief. Ook was hij er eenigen tijd lid van den gemeenteraad. Als algemeen secretaris van het Willems-Fonds heeft hij een zeer groote rol gespeeld in de Vlaamsche beweging. Hij was de stichter en een der voornaamste leiders van de partij der liberale Vlaamschgezinden in Vlaamsch-België. In zijne partij zagen jong en oud vol vertrouwen naar hem op; de jongen zagen in hem een stichter van het studentengenootschap 't Zal wel gaan van Gent, wiens liederen voor hen als orakels klonken en nog klinken; de ouderen vonden in hem den man van het heldere woord de krachtige daad, die hen leidde naar de verovering van hun goed recht. Vuylsteke was een begaafd dichter, nu eens vol warmen gloed, dan vol bitteren spot, nu eens lichte rijmen, dan weer machtig galmende maten daartusschen latende klinken. Hij was ook een zeer degelijk geleerde en de bijdragen, die hij leverde vóór de Gentsche geschiedenis, tellen onder het beste, wat op dit gebied geleverd werd. Hij overleed te Gent den 16den Januari 1903. Van zijne geschriften vermelden wij: „La question flamande et le libéralisme" (1861), „Zwijgende liefde, een liederkrans" (1860), „Korte statistieke beschrijving van België" (1865—1868), „Een woord over de Belgische Academie van kunsten, letteren en wetenschappen" (1867), „Uit het studentenleven en andere gedichten" (1868), „Verslag over de werkzaamheden van het bestuur van het Willemsfonds" (1856—1880), „Eenige bijzonderheden over de Artevelden in de 14de eeuw" (1873), „Willems en het Willemsfonds" (1878), „Overzicht der algemeene kunstgeschiedenis" (1875), „Verzamelde gedichten (1881), alsmede talrijke bijdragen in tijdschriften, almanakken enz. Zijn verzamelde prozaschriften verschenen in 4 deelen (1887—1891).

Vijfheerenlanden is de naam van een landstreek in Zuid-Holland tusschen de Lek en de Linge gelegen, waartoe de heerlijkheden Arkel, Vianen, Hagestein, Everdingen en Ter Leede (Leerdam)

behooren. Zij maken, krachtens een in 1284 gesloten overeenkomst, een bijzonder dijksdistrikt uit.

Vijfkamp. Zie Penlathlon.

vijg-. Zie Ficus.

Vijgenbladeren van blik vonden weleer toepassing om de aanstoot gevende gedeelten van antieke beelden te bedekken. Deze gewoonte laat zich vóór het midden der 18de eeuw niet nasporen. Vermoedelijk is zij onder geestelijken invloed, waarschijnlijk onder dien van de Jezuïeten, opgekomen. In de 16de en 17de eeuw werden, als men de naaktheid aan de blikken onttrekken wilde, omhulsels van stof gebruikt. Zoo liet bijv. vorst Pamfili op het einde van de 17d<! eeuw voor debeeldenvanhetcasino in zijn villa broeken maken. In het museum van het Vaticaan bevindt zich thans nog een kopie van de Aphrodite van Pramteles, waarvan het benedenste gedeelte met een blikken mantel is omgeven. Ook in onze dagen is deze soort van preutschheid niet geheel verdwenen.

Vijgenboom. Zie Ficus.

Vijl is de naam van een stalen werktuig, waarvan de oppervlakte van talrijke kleine groeven voorzien is en dat dient om fijne schilfers van het te bewerken voorwerp af te nemen. De groeven loopen bij sommige vijlen alle in dezelfde richting, bij de meeste echter kruiselings. Het staal wordt eerst gesmeed, waardoor het zijn uiterlijken vorm verkrijgt. Daarop volgt het slijpen, waarna de groeven worden aangebracht. Dit geschiedt met beitels en hamers. Ofschoon men sedert 1735 een groot aantal machines uitgevonden heeft voor het maken van vijlen, worden deze gereedschappen toch nog meestal uit de hand vervaardigd. De vijlen hebben een zeer verschillende grootte; men heeft ze van 2,5—60 cm. en langer. De grootste vijlen met diepe groeven noemt men a r m- en s t r o o v ij 1 e n (10—27 groeven op een lengte van 25 mm.), daarop volgen bastaard- ofvoorvijlen, de fijnste soorten noemt men zoetvijlen (140—230 groeven). Bastaard» vijlen van 75 mm. lengte hebben op 25 mm. 73 groeven, van 18 cm. 37, van 30 cm. 28, van 40 cm. 22, van 50 cm. 19 "en van 55 cm. 17 groeven. De meeste vijlen worden naar voren toe veel smaller, de zijkanten zijn recht of buikig, de doorsnede vierkant, rechthoekig, driehoekig, rond, halfcirkelvormig enz. In verband hiermede onderscheidt men een groot aantal soorten. Het handwerk met de vijl kan vervangen worden door vijl- en freesmachines (zie aldaar).

Vynckt, Lucas Joseph van der, een Vlaamsch geschiedkundige, geboren in 1691 te Gent, promoveerde te Leuven in de rechten en werd in 1729 lid van den Raad van Vlaanderen. Hij overleed den 29sten Januari 1779 te Gent. Van zijn hand verscheen een geschiedkundig overzicht van het bestuur der landvoogden en landvoogdessen in de Z.lijke Nederlanden van 1470—1765, wat aanleiding werd dat de Oostenrijksche minister von Cobenzl hem belastte met het samenstellen van een geschiedenis der gebeurtenissen in België, vooral gedurende den Spaanschen tijd. Dit werk werd onder den titel van „Troubles des Pays-Bas" in 1765 ten getale van slechts zes exemplaren gedrukt. In 1793 verscheen daarvan te Zürich een Duitsche vertaling, waarna het oorspronkelijk werk wederom werd ter perse gelegd en verscheen onder den titel: „Histoire des troubles des Pays-Bas sous_Philippe II. Ouvrage corrigé'et

Sluiten