Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die door 2 stempels, de groote en de kleine keur, worden gewaarborgd; zilver, dat met de groote keur wordt gestempeld, moet 0,934 deelen fijn bevatten, voor de kleine keur bedraagt deze hoeveelheid 0,833. Bij beide is een remedie van 0,005 toegestaan. In Nederland wordt restitutie va,n belasting gegeven voor werken, die hier vervaardigd zijn en naar het buitenland worden uitgevoerd, mits ze nog niet zijn gebruikt. Zulke werken worden van een afzonderlijk, in het gehaltestempel, geslagen stempel, voorzien. Oude gouden en zilveren voorwerpen met stempelmerketi, die niet meer gangbaar zijn, worden wanneer zij weder in den handel worden gebracht, met een afzonderlijk stempelteeken, een bijl, gemerkt. Wanneer de aanbieder het verlangt, kunnen zij ook, indien hun gehalte met een van de bij de wet "bepaalde gehalten overeenkomt, van het daarvoor dienende stempel worden voorzien. Voor oude werken zonder stempels is een dolfijn in een driehoek het teeken, dat de belasting is betaald; het is voor den kooper dus geen bewijs, dat het voorwerp gewaarborgd is. Voorwerpen, die uit verschillende kleine deeltjes bestaan, zooals bijv. kettingen worden op een andere wijze gewaarborgd, daar het stempelen van elk van de deeltjes ondoenlijk is en het stempelen van een gedeelte geen voldoenden waarborg geeft. Daarom brengt men, behalve het gewone waarborgteeken, een stempel aan, waarop vermeld wordt, hoeveel het voorwerp weegt. Als eenheid van gewicht neemt men 5 gr. aan. Werken van vreemden oorsprong worden, onafhankelijk van hun gehalte, van verschillende stempels voorzien.

Waard, ook Weerd en Wierd geheeten, duidde oorspronkelijk een stuk land aan, dat aan of in het water was gelegen. Tegenwoordig bedoelt men er mede: 1. landstreken, geheel of ten deele door rivieren omsloten, zooals de Tielerwaard, Bommelerwaard,

A1 hl aaser waard. Loniker waard. Krimpener waard enz;

2. stukken lands, buitendijks onmiddellijk langs een groote rivier gelegen, meestal omkaad en doorgaans uiterwaarden of buitenwaarden geheeten; 3. de waardgronden of waarden in het noordelijk deel der Zuiderzee gelegen, zooals de Wieringerwaard, de Grienderwaard enz., die bij eb geheel of ten deele droogvallen; 4. de wierden, wieren, weerden of weeren, in het N. van Friesland en Groningen, gewoonlijk terpen (zie aldaar) genoemd.

Waarde heeft een goed, zoodra het gemis daarvan een gevoelig verlies beteekent. Waarde is geen eigenschap van een goed, maar geeft de beteekenis aan, die de mensch aan een bepaald goed hecht, hetzij met het doel het zelf te gebruiken, hetzij om het in ruil te geven voor een ander voorwerp. Wil een goed waarde hebben, dan moet het in de eerste plaats voldoen aan den eisch, dat het in eene wezenlijke behoefte voorziet en daarenboven moet het niet in zulke hoeveelheden aanwezig zijn, dat een ieder zich daarvan vrijelijk kan voorzien, d. w. z. vrije goederen hebben geen waarde (zie onder goederen).

Men maakt onderscheid tusschen gebruikswaarde en ruilwaarde. Gebruikswaarde bezit een goed, dat in staat is in een bepaalde behoeftebevrediging te voorzien; ruilwaarde heeft een goed, dat in staat is om door ruil den bezitter een goed te doen verkrijgen, dat hij op dat oogenblik hooger stelt dan het goed, hetwelk hij gaat missen. Beide begrippen kan men zich in sub-

jectieven en in objectieven zin denken, naar mate van het standpunt, dat men bij de beoordeeling gaat innemen. Heeft men de bruikbaarheid om te voorzien in de menschelijke behoefte op het oog, dan denkt men aan de objectieve gebruikswaarde (bv. aan de voedingswaarde van verschillende stoffen). Bij de subjectieve gebruikswaarde denkt men aan de beteekenis, die een goed bezit om op een oogenblik individueele behoeften te dekken (bv. kleedingstukken voor hem, die ze niet heeft).

Subjectieve ruilwaarde bezit een goed, zoodra de bedoeling bij den bezitter niet voorzit om het te gebruiken, maar om het zoo spoedig mogelijk van de hand te doen tegen een loonenden prijs (antiquiteiten voor den antiquar). Objectieve ruilwaarde is aanwezig, zoodra het zeker is, dat er onder de tegenwoordige omstandigheden liefhebbers zijn, die het goed gaarne willen koopen (goud en edele metalen hebben sedert onheugelijke tijden objectieve ruilwaarde gehad). Of een goed objectieve gebruikswaarde bezit, wordt door de publieke meening uitgemaakt, die zich nu eens door de wetenschap, dan weer door de kunst laat adviseeren.

De grondslag van de ruilwaarde en een eerste eisch daarvoor is de gebruikswaarde. Een goed zonder gebruikswaarde heeft ook geen ruilwaarde. Ten slotte is elk goed bestemd om gebruikt te worden ter bevrediging van de meest verschillende behoeften, tot instandhouding van leven en gezondheid, tot genot, tot ethische en religieuse voldoening. Elke mensch heeft als het ware bij elke railhandeling eene lange lijst van behoeftebevredigingen in eene nauwkeurige volgorde voor oogen. In

de eenvoudigste gevallen evenais in ue giuuusuc voiwikkelingen des levens zien we dat de menschen de goederen schatten naar een schaal, welke zij zoo onwillekeurig opmaken, dat zij ons verwonderd zouden aanzien, wanneer wij er hen opmerkzaam op maakten. Naar die schaal maakt de mensch uit of hij een goed in ruil zal geven, om daarvoor een ander te ontvangen. Hierbij zij opgemerkt, dat onder de in ruil te geven of te ontvangen goederen ook arbeidsprestatie begrepen is.

Voor de maatschappij is het van belang te weten welke elementen medewerken tot het bepalen der objectieve ruilwaarde. Dat wil niet zeggen, dat de subjectieve gebruikswaarde geen belangstelling kan inboezemen; in tegendeel hangt de objectieve ruilwaardebepaling ten slotte af van de subjectieve gebruikswaardebepalingen van een groot aantal individuen, die wel niet allen bij den ruil zijn betrokken, doch die met hunne meening een beslissenden invloed uitoefenen op de partijen, tusschen welke de rail tot stand komt.

Het is ten allen tijde een voorwerp van ernstige studie geweest op de hoogte te komen van de elementen, die de waarde bepalen. Tot overeenstemming is men ook thans nog niet gekomen.

Het menschelijke oordeel over de waarde wordt naar aller meening bepaald 1° door de natuurlijke nuttigheid van een goed, d. i. de omstandigheid, dat het goed kan dienen tot bevrediging van de menschelijke behoefte; 2° door de zeldzaamheid, waarin het goed voorkomt. Wat in overgrooten overvloed voorkomt en voor ons elk oogenblik zonder moeite bereikbaar is, heeft geen waarde, al hangt van het bezit daarvan ons leven af. Vandaar het eigenaardige verschijnsel dat brood en ijzer, de voor ons zoo

Sluiten