Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij uitstek onontbeerlijke zaken, minder waarde hebben dan goud of zilver, die voor ons leven van veel minder beteekenis zijn. De oudere economen o. a. Turgot zagen alleen naar den factor nuttigheid. Hoe grooter de nuttigheid van een goed, des te grooter zijne waarde. De zeldzaamheidsfactor is eerst in den lateren tijd als de meest gewichtige erkend. Adam. Smith bepaalde de waarde van het goed naar den arbeid, die voor de productie daarvan noodzakelijk is of dien men daarmede kan koopen. Ricardo werkte dit denkbeeld verder uit door te betoogen, dat de waarde van een goed gelijk staat met de gezamenlijke productiekosten daarvan, als ten minste dat goed te reproduceeren is, terwijl van alle andere goederen de zeldzaamheid de waarde zou bepalen. De Amerikaan Carey vulde Ricardo in dien zin aan, dat hij meende, dat de kosten om een goed opnieuw voort te brengen, de waarde aangeven. Immers als productieverbeteringen intreden en dus de productiekosten goedkooper worden, kunnen niet de oude duurdere productiekosten van een bestaand goed de waarde bepalen. Gedurende langen tijd werd op die grondgedachten voortgebouwd, toen William Stanley Jevons in Engeland, Karl Menger in Oostenrijk en Walras in Zwitserland gelijktijdig (1871—1874) de leer van de grenswaarde (ftnal utility, Grenznutzm, V Intensitê du dernier besoin satisfait) uitvonden. Aangezien deze leer voornamelijk door Oostenrijkers (von Böhm-Bawerk, von Wieser, Sax, Zuckerkandl) is uitgewerkt,noemt men haar de Oostenrijksche waardetheorie, niettegenstaande in Engeland de economisten Marshall en Shadwell, de Amerikaan Patten, de Franschman Charks Gide en bijna alle Nederlandsche economisten haar aanhangen. Zij komt op het volgende neer. Zij gaat uit van de menscfielijke behoefte en ziet in de waarde de beteekenis, die eene bepaalde hoeveelheid van een goed heeft voor de bevrediging van die behoefte. Naarmate de beschikbare hoeveelheid grooter is, neemt de beteekenis af. Het klassieke voorbeeld om de theorie duidelijk te maken is dat van Böhm-Bawerk: Een eenzaam farmer in Californië heeft 600 H. L. tarwe geoogst. De eerste 100 H. L. behoeft hij tot instandhouding van zich en de zijnen. Een volgende 100 H. L. gebruikt hij om zich het leven te veraangenamen, koeken te bakken, meer brood te eten dan feitelijk noodig is. Een derde 100 H. L. dient tot veevoedering; hij houdt paarden, runderen, schapen, kippen en verbruikt hun vleesch, melk en eieren. Een volgende 100 H. L. dient tot het brouwen van bier of het stoken van brandewijn. Een laatste 100 H. L. gebruikt hij nog tot voedering van zangvogels of andere huisdieren. Hoe hoog schat die farmer eene hoeveelheid van 100 H. L? Welke van zijn behoeften zullen onbevredigd blijven, als hij 100 H. L. moet missen ? In die laatste vraag ligt ook het antwoord. Hij schat 100 H. L. niet hooger dan het genot, dat hij daarmede moet missen, dus dat hij het laagste schat, in dit geval het houden van huisdieren. De waarde van elke hoeveelheid van eene goederensoort komt dus overeen met de beteekenis, welke de laatste hoeveelheid, waarover iemand beschikken kan, voor hem heeft.

Tegenover deze leer staat de socialistische waardetheorie van Karl Marx (Das Kapital). Deze leer zou men de arbeidswaardeleer kunnen noemen. Zij bemoeit zich uitsluitend met de ruilwaarde, en wil

de waarde gelijkstellen met de hoeveelheid arbeid, noodig om de waar voort te brengen. Onder arbeid is dan te verstaan niet de hoeveelheid, die een bepaald individu noodig heeft om het goed te produceeren,_ maar de gemiddelde maatschappelijke arbeid, die verricht kan worden door een gemiddelden arbeider bij een gemiddeld gunstig productieproces. De eenheid van maatschappelijk noodzakelijken arbeid is dus de algemeene waardemaat, waarnaar alle voortgebrachte goederen bij hun ruil kunnen worden gemeten (zie hierover onder Marxisme II). Dat hier uitgegaan wordt van eene onderstelling, die in de tegenwoordige maatschappij niet is verwezenlijkt, dat namelijk de bezitter van grond en kapitaal op geenerlei belooning aanspraak maakt en maken mag, is duidelijk. ,

Waardg-elders, dat zijn voor geld gehuurde lieden om waarde of wacht te houden, werden in 1617 in onderscheidene steden van Holland en in Utrecht ten getale van 2400 op de been gebracht, om de rust in die woelige dagen te handhaven, (zie Bestand, Twaalfjarig). In 1618 werden zij echter door prins Maurits te Utrecht willekeurig afgedankt, waarna de afdanking elders plaats had op last der StatenGeneraal.

WaardgTonden Zie Waard, 3.

Waardigheid. Zie Valentie.

Waardig-heidsbekleeders of Dignitarissen noemt men personen, die op staatkundig of kerkelijk gebied een hoog ambt uitoefenen. Inzonderheid worden de ambten in de domkapittels, waarmee aanspraak op bijzondere eerbewijzen en gezag verbonden is, digniteiten genoemd, in tegenstelling met de personaten, die recht geven op eerbewijzen alleen, en de ofjieiën, die op geen van beide recht geven. Ook de grootmeesters en de commandeurs bij geestelijke ridderorden en de voornaamste ambtenaars aan een universiteit, die met de kerk verbonden was, heetten dignitarissen.

W aar dij n is de naam van een beëedigd ambtenaar, belast met het onderzoek naar het vaststellen van het gehalte van edele metalen. Het woord is thans algemeen door essayeur vervangen.

Waarheid is op logisch gebied de overeenstemming van onze gedachten met zich zelf en met de algemeene wetten van het denken (formeele waarheid) of met de onderwerpen daarvan, dat is het bestaande. Uitspraken, waarbij, zooals op het gebied der wiskunde en van de logica, alleen van de waarheid in de eerste beteekenis kan sprake zijn, noemt men formeele, zulke, waaraan die in de tweede beteekenis ten grondslag ligt, stoffelijke of wezenlijke waarheden. Deze laatste verdeelt men weder in twee onderafdeelingen: in natuurlijke waarheden, gevolg van rechtstreeksche waarneming langs den weg van de onbevangen inductie of van de vergelijkende proefneming, en in geschiedkundige waarheden, wier onderwerp tot het verleden behoort. Daar ons denken gepaard gaat met dwalen en onze waarneming met vergissingen, bestaat er geen volmaakt zeker kenteeken voor de waarheid. Zij is daarom steeds betrekkelijk en niet volstrekt. Bovendien is het de vraag, of ons denken met een daarvan onafhankelijk bestaan der dingen inderdaad tot volledige overeenstemming is te brengen (zie Idealisme). Nochtans is de erkenning van het bestaan der waarheid als motiveering voor het gebruik der rede onmisbaar.

Sluiten