Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thecaris der academische boekerij. Van zijn geschriften, welke getuigen van grondige studie en uitmunten door heldere uiteenzetting, vermelden wij: „Lehrbuch der Geschichte" (6ie druk, 1838), „Vorlesungen über die Geschichte der deutschen Nationalliteratur" (2ae druk, 2 dln., 1834), „Handbuch der Geschichte der Literatur" (3ae druk, 4 dln., 1833), „Geschichte der historischen Forschung und Kunst" (2 dln., 1812—1820)", en „Lehrbuch der Literaturgeschichte" (2de druk, 1830). Hij overleed den 4den April 1838 te Breslau.

Wachsmuth, Wilhelm Ernst, een Duitsch geschiedschrijver, geboren den 28sten December 1784 te Hildesheim, studeerde te Halle in de letteren en godgeleerdheid, werd daarop leeraar aan de kloosterschool te Maagdenburg, vervolgens aan het gymnasium te Zerbst, in 1815 aan de stichting van Francke te Halle, waar hij tevens lector in de Italiaansche en Engelsche taal aan de universiteit was. In 1820 werd hij benoemd tot professor aan de hoogeschool te Kiel en in 1825 aan die te Leipzig. Hij schreef: „Entwurf einer Theorie der Geschichte" (1820), „Grundrisz der allgemeinen Geschichte der Völker und Staaten" (4de druk, 1875), „Hellenische Alterthumskunde" (2ae druk, 2 dln., 1843—1846), zijn hoofdwerk, „Historische Darstellungen aus der Geschichte der neuern Zeit" (3 dln., 1831—1835), „Europaische Sittengeschichte" (5 dln., 1831—■ 1839), „Geschichte Frankreichs im Revolutionszeitalter" (4 dln., 1840—1844), „Weimars Musenhof in den Jahren 1772—1807" (1844), „Allgemeine Kulturgeschichte" (3 dln., 1850—1852), „Geschichte der politischen Parteiungen" (3 dln., 1853—1857, „Geschichte deutscher Nationalitat" (3 dln., 1860— 1862) en „Geschichte von Hochstift und Stadt Hildesheim" (1863). Hij overleed den 23sten Januari 1866 te Leipzig.

Wachsmuth, Kurt, een Duitsch taalgeleerde, geboren te Naumburg den 27sten April 1837, studeerde te Bonn, werd in 1860 leeraar aan een gymnasium te Berlijn, vertrok in dat jaar naar Italië en werd in 1861 secrétaire-interprète bij het Pruisische gezantschap te Athene. In 1862 vestigde hij zich als privaatdocent voor classieke philologie en oude geschiedenis te Bonn, waarna hij in 1864 werd benoemd tot gewoon hoogleeraar te Marburg, in 1868 te Göttingen in 1877 te Heidelberg en in 1886 te Leipzig. Zijn voornaamste werken zijn: „De Timone Phliasio ceterisque sillographis Graecis" (2de druk, 1885), „De Cratete Mallota" (1160), „Das alte Griechenland im neuen" (1864), „Die Stadt Athen im Altertum" (1874), „Studiën zu den griechischen Florilegien" (1882), „Einleitung in das Studium der alten Geschichte" (1895), „Neue Beitrage zur Topographie von Athen" (1897) en „Athen" (1903). Bovendien bewerkte hij uitgaven van Lydos' „Liber de ostentis et calendaria graeca omnia" (2"e druk, 1897), van Siobaeos' „Eclogae" (2 dln., 1884) en van „Sillographorum graecorum reliquae" (1885), Hij overleed den 88ten Juni 1905 te Leipzig.

Wacht noemt men een afdeeling soldaten, welke in steden (garnizoenswacht) of in het veld (veldwacht) in gereedheid gehouden wordt ter wille van de veiligheid, ter bescherming van openbare gebouwen, magazijnen enz. of ter eere van vorstelijke personen (eerewacht). In belangrijke garnizoenen heeft men een hoofdwacht, somtijds onder bevel van een officier, van waaruit de garnizoens¬

wacht geregeld wordt en waar de meldingen van alle wachten worden verzameld. In de nabijheid van den vijand eischt de veiligheid bijzondere buitenwachten. Bovendien heeft ieder bivak een binnenwacht, van waaruit de posten worden uitgezet. Bereden wapens hebben, in garnizoen zoowel als te velde, stalwacliten om toezicht op de paarden te houden. Zij zijn gewoonlijk ongewapend.

Wacht am Rhein is de titel van een Duitsch patriottisch gedicht, in 1840 door M. Schneckenburger geschreven en in 1854 door K. Wilhelm gecomponeerd. In den Fransch-Duitschen Oorlog van 1870 —1871 verwierf het een buitengewone populariteit.

Wachtel is een andere naam voor kwartel (zie aldaar).

Wachter, Karl Georg von, een Duitsch rechtsgeleerde, geboren te Marbach a. d. Neckar den 24sten December 1797, werd in 1819 „Oberjustizassessor" bij het Hof van Appèl te Eszlingen en in hetzelfde jaar hoogleeraar in de rechten te Tübingen. In 1833 werd hij hoogleeraar te Leipzig, maar keerde in 1836 naar Tiibingen terug, waar hij tevens het ambt van kanselier der universiteit aanvaardde. Al zoodanig lid van de vergadering der Standen, werd hij in 1839 en in 1845 voor den tijd van zes jaren tot voorzitter benoemd. In 1851 ging hij als voorzitter van het Hooge Hof van Appèl der vier Vrije Steden naar Lübeck en in het najaar van 1852 aanvaardde hij een herhaalde benoeming tot hoogleeraar in het pandektenrecht te Leipzig. Van zijn werken vermelden wij: „Lehrbuch des römischdeutschen Strafrechts" (2 dln., 1825—1826) „Abhandlungen aus dem Strafrecht" (dl. 1, 1835), „Handbuch des in Württemberg geitenden Privatrechts" (2 dln., 1839—1851), „Gemeines Recht Deutschlands, insbesondere gemeines] deutsches Strafrecht" (1845), „Der Entwurf eines bürgerlichen Gesetzbuchs für das Königreich Sachsen" (1853), „Das königlich Sachsische und das Thüringische Strafrecht" (1857—1858, onvoltooid), „Die bona fides, insbesondere bei der Ersitzung des Eigentums" (1871) en „Beilagen zu Vorlesungen über das deutsche Strafrecht" (vermeerderde druk, 1881). Hij overleed den 1515611 Januari 1880 te Leipzig. Na zijn dood verschenen: „Pandekten" (2 dln., 1880—1881) en „Deutsches Strafrecht.Vorlesungen"(1881).

Wachter, Oskar von, een Duitsch rechtsgeleerde en schrijver, een zoon van den voorgaande, geboren te Tübingen den 298ten April 1825, vestigde zich in 1849 als advocaat te Stuttgart, bestreed het concordaat, door de Regeering van Württemberg met den pauselijken Stoel gesloten, en ijverde voor de scheiding van Kerk en Staat. In 1862 gekozen in de vergadering der Stenden van Württemberg, sloot hij zich aan bij de Duitsche partij, terwijl hij in 1872 tot volksvertegenwoordiger in Württemberg gekozen werd. Hier stemde hij met de Duitsche partij tegen het deelnemen aan den oorlog tegen Pruisen (1866), terwijl hij in 1868 het staat- en staathuishoudkundig weekblad „Der Landbote" oprichtte om zijn Duitsch-nationale gezindheid te kunnen propageeren. Naast een aantal verhandelingen in tijdschriften, vooral in het „Deutsche Vierteljahrsschrift", schreef hij: „Das Verlagsrecht mit Einschlusz der Lehren vom Verlagsvertrag und Nachdruck" (1857—1858), „Der 9 November 1861 und die Verlagsrechte" (1861), „Die Wechsellehre nacli den deutschen und auslandischen Gesetzen" (1864),

Sluiten