Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Das Handelsrecht nach dein allgemeinen deutschen Handelsgesetzbuch" (2 dim, 1865), „Das Wechselrecht des Norddeutschen Bundes" (1869— 1870), „Das Autorrecht nach dem gemeinen deutschen Recht systematisch dargestellt" (1875), „Das Urheberrecht an Werken der bildenden Künste" (1877), „Encyklopadie des Wechselrechts" (nieuwe druk, 1881) en „Das Wechselrecht des deutschen Reichs". Door het geschrift „Bekenntnisgrund, Kirche und Sektenwezen in Württemberg nach Geschichte, Recht und Lehre" (1862), waarin hij voor de zelfstandigheid van de Evangelische Belijdenis- | kerk optrad, werd zijn aandacht gevestigd op den Oud-Württembergschen godgeleerde Bengel, over i wien hij daarop eenige werken publiceerde, waaronder: „J. A. Bengels Lebensabrisz, Charakter, Briefe und Anssprüche" (1865). Verder verschenen nog van zijn hand: „Karl Georg von Wachter. Leben eines deutschen Juristen" (1881), „Vehmgerichte und Hexenprozesse" (1882), „Altes Gold in deutschen Sprichwörtern" (1883), „Johann Jacob Moser" (1885) en „Sprichwörter und Sinnsprüche der Deutschen" (1888). Hij overleed den 15den Juni 1802.

Wachtmeester is bij de bereden wapens een rang, die overeenkomt met dien van onderofficier bij de niet-bereden wapens. Op dezen graad volgt die van opperwachtmeester, daarna die van adjudant-onderofficier en vervolgens de officiersrang.

Wachtmuur is in de theosofie hetzelfde als de NirmS,nakayas van het Boeddhisme. Zie Nirmanakayas.

Wachtschip is een oorlogsschip, belast met het uitoefenen van de zee- en havenpolitie. Het voert de vlag van den commandant der marine en verricht bij het binnenloopen van vreemde oorlogsschepen den begroetingsdienst.

Wackernagel, Wilhelm, een Duitsch taalgeleerde en dichter, geboren te Berlijn den 238,en April 1806, studeerde aldaar in de letteren en schreef reeds als student: „Spiritualia theotisca" (1827), „Das Wessobrunner Gebet und die Wessobrunner Glossen" (1827), en „Gedichte eines fahrenden Schillers" (1828). Van 1828—1830 gaf hij privaatles te Breslau, keerde in 1831 terug naar Berlijn, waar hij zijn „Geschichte des deutschen Hexameters und Pentameters bis auf Klopstock" (1831) uitgaf. Na vruchtelooze pogingen om in Pruisen een ambtelijke betrekking te verkrijgen, werd hij in 1833 professor in de Duitsche taal en letterkunde aan de lioogeschool te Bazel, waar hij in 1856 tevens gekozen werd tot lid van den Grooten Raad. Behalve een aantal kleinere geschriften verschenen van hem: {onvoltooide) uitgave van den „Schwabenspiegel" (1840), „Deutsches Lesebuch" (5 dln., 1835—1836) en later „Altfranzösische Lieder und Leiche" (1846), „Vocabularius optimus" (1847), „Meinauer Naturlehre" (1851), „Die deutsche Glasmalerei" (1855), „Die Umdeutschung fremder Wörter" (2de druk, 1862), „"Enea nTEQÓevza," Beitrage zur vergleichenden Mythologie" (1860), „Die Lebensalter" (1862), benevens de reisverhalen „Pompeji" (3de druk, 1870) en „Sevilla" (2de druk, 1870). Van zijn dichterlijke werken, waarin hij zich een navolger van het Oud-Duitsche minnelied toonde, noemen wij nog: „Neuere Gedichte"(1842), ,,Zeitgedichte"(1843) en het origineele ,,Weinbüchlein"(1845). Hij overleed den 21Bten December 1868 te Bazel. Uit zijn nagelaten papieren verschenen nog: „Johann Fischart

von Straszburg und Basels Antheil an ihm" (1870) „Poetik, Rhetorik und Stilistik" (3de dmk, 1906), „Altdeutsche Predigten und Gebete aus Handschriften" (1876) en „Der arme Heinrich Hartmanns von Aue" (1885).

Wackernagel, Jacob, een Duitsch taalgeleerde, een zoon van den voorgaande, geboren den lldeI1 December 1853 te Bazel, studeerde aldaar, te Göttingen en te Leipzig in de oude letteren en het sanskriet, vestigde zich in 1876 als privaatdocent te Bazel, werd aldaar in 1879 buitengewoon en in 1881 gewoon hoogleeraar. In 1902 werd hij als zoodanig benoemd te Göttingen. Hij schreef: „Das Dehnungsgesetz der griechischen Komposita" (1889), „Das Studium des klassischen Altertums in der Schweiz" (1890), „Beitrage zur Lehre vom griechischen Accent" (1893) en „Altindische Grammatik" (2 dln., dl. 1 1895, dl. 2, lBte stuk, 1905).

Waco, de hoofdstad van het graafschap Mc Lennan in den N. Amerikaanschen staat Texas, ligt in een vruchtbare omgeving aan de Brazos River, waarover een fraaie hangbrug is geslagen. Het is een belangrijk kruispunt van spoorwegen, bezit een deftig bondsgebouw, een rechtbank, 2 hoogescholen, een schouwburg, korenmolens en katoenoliefabrieken. De plaats, welke (1900) 20686 inwoners telt, drijft een levendigen handel in katoen, wol, huiden, graan en vee.

Wadaï, een rijk in het Oostelijk Soedan, vroeger een zelfstandige en één der best georganiseerde staten van Centraal-Afrika, behoort sedert 1903 tot den Franschen Kongo en wordt begrensd door de Sahara, Dar Foer, Bagirmi en Kanem. Het beslaat een oppervlakte van ongeveer 200 000 v. km. met 2 millioen inwoners. Het land is voor het grootste gedeelte steppe. In het O. bevindt zich het Tigerbergte (600 m.), in het Z. W. de woeste, met bosschen bedekte Gerebergen (990 m.). Van de rivieren, welke alleen in den regentijd water hebben, zijn de voornaamste: de Batha en de Betheka, die uitmonden in het Fittrimeer, de Bahr es Salamat en in het Z. de Aukadebbe, een zijrivier van de Sjari. De plantengroei bestaat uit tamarinden, sycomoren, doemen deleppalmen, lotus- en heglegboomen (Balanites aegyptiaca) enz. Dadelpalmen komen alleen aan den N. rand voor. Tot de voornaamste voedingsgewassen behooren: tarwe, en rijst. Verder verbouwt men: watermeloenen, kalebassen, uien, roode peper, koriander, kafferkoren, maïs, boonen en katoen. Struisvogels komen talrijk in het N. voor. Aan den Bahr es Salamat en in Koeti worden groote hoeveelheden ivoor verkregen. In de nabijheid van de Batha treft men den tweehoornigen rhinoceros aam Gefokt worden voortreffelijke kameelen, paarden en runderen. De bevolking bestaat in het N. hoofdzakelijk uit Tibboe's. het midden en Z. uit Negers, waartusschen zich Foelbe en Arabieren hebben gevestigd, De laafcten houden z'ch bezig met het fokken van kameelen en paarden, De nijverheid is slechts weinig ontwikkeld. Zij is in handen van bewoners van Bagirmi en Bornoe, Handelswegen iOOpen N.-waarts over Koefra en Audsjila naar Bengasi aan de Middellandsche Zee en naar Egyp-e, over Borkoe en Tibesti naar Tripolis en door Darfoer naar den Nijl. Slaven, struisveeren, ivoor en tamarinde zijn de voornaamste artikelen van uitvoer. De hoofdstad is Abesje. De voormalige hoofdstad ; Wara, in 1850 verlaten, ligt in puin.

Sluiten