Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Parijs. Toen een banbrief (nog in 1853 hernieuwd), welke hem was nagezonden, hem de hoop, naar Duitschland te kunnen terugkeeren, benam, vestigde hij zich te Zurich.

In dezen tijd ontstonden zijn geschriften „Die Kunst und die Revolution" (1849), „Das Kunstwerk der Zukunft" (1850) en „Oper und Drama" (1851), waarin hij zijn denkbeelden omtrent de oorzaken van het verval der kunst en de middelen om haar weder te verheffen uiteenzette. Hij ziet de oorzaak in de scheiding van de afzonderlijke kunsten, ontstaan sederthetvervalvandeantieke kunst. Haar vereeniging tot een gemeenschappelijk doel en in den kunstvorm, welke daar alleen voor geschikt is, is volgens hem het muziekdrama dat bestemd is om het kunstwerk der toekomst te worden. Behalve deze geschriften, ontstond gedurende zijn verblijf in Zwitserland „Der Ring der Nibelungen" (1853). Intussclien had de uitvoering van zijn werken, vooral die van „Lohengrin", de aandacht van het Duitsche publiek weer "op hem gevestigd. Aangespoord tot nieuwe werkzaamheid, schreef hij, gedeeltelijk te Venetië, gedeeltelijk te Lnzern, het muziekdrama „Tristan und Isolde" (1859), waarin hij volledig met den overgeleverden operavorm brak. Ook trad hij weder op als dirigent, eerst te Londen in 1855 en daarna in 1860 te Parijs, waar hij een reeks van schitterende concerten in den Italiaanschen schouwburg ten gelioore bracht. Toch slaagde hij er niet in om zijn lievelingswensch „Tristan" te doen opvoeren, tot uitvoering te brengen. Te Parijs werd in 1861 zelfs zijn „Tannhauser", veel doorzichtiger overigens dan „Tristan und Isolde", doorhet publiek op ondubbelzinnige wijze afgekeurd. Maar onk te Weenen werd zijn werk, na ijverige voorbereidende studies, als onuitvoerbaar ter zijde gelegd, terwijl ook een voorgenomen uitvoering te Karlsruhe om dezelfde reden moest achterwege blijven.

In 1864 ontbood koning Lodewijk II hem naar München met de bedoeling hem in staat te stellen, zijn muzikale hervormingsplannen ten uitvoer te brengen. Reeds den 10den Juni 1865 werd „Tristan und Isolde". onder leiding van Hans von Bülow,

uitgevoerd en in 1867 werd, met Bülow als directeur, de koninklijke muziekschool, geopend, waarvoor Wagner in zijn „Bericht an S. M. den König von Bayern über eine in München zu errichtende deutsche Musikschule" het plan opgemaakt had. Tengevolge van verschillende intriges genoodzaakt München te verlaten en zich metterwoon te Triebschen bij Lüzern te vestigen, voltooide hij hier de „Meistersinger von Nürnberg", den 218ten Juni 1868 uitgevoerd en waarvan het ontwerp reeds uit 1840 dagteekende. Met Pinksteren 1872 werd de eerste steen gelegd van het „Festspielhaus" te Bayreuth. Wagner vestigde zich te Bayreuth, waar van den 13den tot den I7del> Augustus 1876 de trilogie „Der Ring der Nibelungen" („Walküre", „Siegfried", „Götterdammerung" met het voorspel „Rheingold") werd uitgevoerd.

Wagner's plan om te Bayreuth een „Stilbildungsscliule" te stichten, waar toekomstige acteurs en dirigenten van het muziekdrama zouden worden opgeleid, kwam niet tot uitvoering. Ook het maandschrift „Bayreuther Blatter", bedoeld als compensatie daarvoor, had slechts matig succes. Toch toog hij met onverzwakte kracht aan het werk, om een nieuw drama te componeeren, „Parsival", dat reeds

in 1877 als gedicht verschenen was, een „Bühnenweihfestspiel" zooals Wagner het noemde, bestemd om op zijn scheppende werkzaamheid de kroon te zetten. Dit werk, in 1882 gedurende een oponthoud te Palermo voltooid en in hetzelfde jaar, vanaf den 25sten Juni 16 maal te Bayreuth opgevoerd, werd Wagner's zwanenzang. Den 13den Februari 1883 overleed hij plotseling te Venetië, waarheen hij zich begeven had om genezing te zoeken voor een aandoening der ademhalingsorganen en aangezichtsroos. Hij werd te Bayreuth in den tuin van zijn huis „Wahnfried", op de door hem zelf aangegeven plek begraven. Zijn eerste echtgenoote, welke gescheiden van hem te Dresden leefde, was in 1866 overleden. Een tweede huwelijk sloot hij met I/iszts dochter, Cosima, eerst de echtgenoote van Hans von Bülow.

Het aantal composities van Wagner is gering. Behalve de genoemde jeugdcomposities en muziekdrama's, moeten wij nog noemen: de Faust-Ouverture, in 1851 te Parijs geschreven, de ouvertures ,,Rule Brittannia", „Polonia" en „Columbus", den „Huldigungsmarsch" (1865), geschreven voor den koning van Beieren, den „Kaisermarsch" (1870), ontstaan onder den indruk van den Fransch-Duitschen Oorlog, den „Philadelphiamarsch" (1876), gecomponeerd naar aanleiding van de viering van het honderdjarig bestaan der N. Amerikaansclie Unie, en de lieflijke „Siegfried-Idyll", opgebouwd uit motieven der Nibelungentrilogie. Bovendien schreef hij enkele liederen, met klavierbegeleiding („Wiegenlied", „Traüme", enz.).

Zijn letterkundige werken verschenen onder den titel „Gesammelte Schriften und Dichtungen" (4de druk, lOdln., Leipzig, 1907). Bijzondere vermelding daarvan verdienen: „Das Judentum in der Musik" (1852), „Zukunftsmusik" (1860), „Über Staat und

V. /' V. i i -r-v- • • /-i onc\\

Keügion (I5b4), „uoer aas uirigienjn \iovv), „Beethoven" (3ae druk, 1905), een feestgeschrift bij de viering van diens 1008ten verjaardag en „Über die Bestimmung der Opera" (1869). Na zijn dood verschenen nog „Entwürfe, Gedanken, Fragmente, (1885) en „Jezus von Nazareth" (1887), een dichterlijk ontwerp uit 1858. Van zijn brieven verschenen o. a.: „Briefwechsel zwischen Wagner und Liszt" (2de druk, 2 dln., Leipzig, 1900), „Briefe an August Röckel" (2de druk, Leipzig, 1903), „Briefe an Emil Heckel. Zur Entstehungsgeschichte der Bühnenfestspiele in Bayreuth" (Berlijn, 1899), „Richard Wagner an Mathilde Wesendonck" (18de druk, Berlijn, 1904), „Briefe an Otto Wesendonck (nieuwe druk, Berlijn, 1905), „Bayreuther Briefe 1870—1883" (Berlijn, 1907) en „Richard Wagner an Minna Wagner" (Berlijn, 1908).

Wagner, Rudolf von, een Duitsch scheikundige, geboren te Leipzig den 13den Februari 1822, studeerde aldaar, te Berlijn en te Parijs, vestigde zich in 1850 als privaatdocent in de chemische technologie te Leipzig, werd in 1851 hoogleeraar in de toegepaste scheikunde aan de polytechnische school te Nürnberg, in 1856 te Würzburg en was tot 1868 commissaris van toezicht op de technische scholen in Beieren. Hij was jurylid bij verschillende tentoonstellingen en van 1872—1874 gevolmachtigde van Beieren op de wereldtentoonstelling te Weenen. Hij schreef: „Die Chemie faszlich dargestellt" (6de druk, 1873), „Theorie und Praxis der Gewerbe" (5 dln., 1857—1864; dl. 2 „Die chemische Fabrik-

Sluiten