Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waig-atsj, een eiland in de N. lijke IJszee, behoorende tot liet distrikt Petsjorsk van het Russische gouvernement Archangel, wordt aan de Z. zijde door de Waigatsjstraat (ook Joegorstraat genaamd) van het vasteland en aan de N. zijde door de Karische Straat van het eiland Nowaja Semlja gescheiden. Over de lengte van het eiland, naar den kant van den O. oever, loopt een heuvelrug, welke een voortzetting is van den Paj- Choj op het vasteland. Groote hoogten bereikt hij niet. Het eiland, dat in het binnenland rotsachtig is, beslaat een oppervlakte 3703 v. km. Gedurende de zomermaanden wordt het, met het oog op de jacht op de talrijke pelsdieren, vogels en visschen, vooral ook op walvisschen, door Russen en Samojeden bezocht. De plantengroei op het eiland is gering.

Waigatsjstraat. Zie Waigatsj.

Waig-éoe of Batan Wagé, een eiland ten N. W. van Nieuw-Guinea, tusschen 0°—20° Z. Br. en 130° 12—131° 20' O. L. v. Gr., behoort administratief tot de afdeeling West-Nieuw-Guinea van de residentie Ternate. Het eiland is, als behoorende tot het gebied van de 4 radja's, onderworpen aan den sultan van Tidore. De grootte wordt geschat op 3300 v. km. Door de baai Tip Wagé is het eiland in twee schiereilanden verdeeld, beide zeer onregelmatig van vorm. De bergachtige bodem daalt bijna overal tamelijk steil in zee af, sommige bergen bereiken een hoogte van 300—600 m. De rivier de Sjiam, die voor kleine prauwen bevaarbaar is, mondt in de Tip

Wagé uit. Het aantal inwoners is niet bekend; de i.: .... i _ -i. i , , , , „ '

uiiiiieiiiaiiuen woraen meest oewoonü door .Papoea s, de kuststreken door een bevolking van gemengd ras. Het eiland is schaars bevolkt. De belangrijkste kampongs zijn Moemoes en Napirboi. Het eiland levert sago, vogelhuiden, schildpad, tripang en schelpen.

Wailly, Joseph Noël, genaamd Natalis de Waillly, een Fransch geleerde, geboren den 10den Mei 1806 te Mézières, studeerde in de rechten, werd daarna geplaatst bij het koninklijk Archief, waar hij, na de Juli-omwenteling chef van de administratieve afdeeling werd.In 1854 werd hij conservator der handschriften aan de Nationale Bibliotheek te Parijs. Van zijn hand verschenen o. a.: „Eléments de paléographie" (2 dln., 1838), „Notice sur Guillaume Guiart" (1846), „Mémoire sur la langue de Joinville" (1868), „Mémoire sur Joinville et les enseignements de Saint Louis a son fils" (1875), „Mémoire sur le Romant ou Chronique en langue vulgaire dont Joinville a reproduit plusieurs passages" (1875) en „Recueil d'un ménestrel de Reims au XIIIde siècle" (1875). Bovendien schreef hij met Guignault en Delisle de deelen XXI en XXII van het „Recueil des historiens des Gaules (1855—1865) en bewerkte hij de „Histoire de Saint Louis" van Joinville in modern Fransch (1865). Hij overleed in 1886 te Parijs.

Wairaja's zijn volgens het geloof van de Indiërs half heilige wezens, zooals de geesten van asceten, kluizenaars en boetelingen, die gestreng hun boetedoeningen hebben vervuld. Zij zijn nog een stap verwijderd van de wereld van oneindige reinheid en wijsheid, n. 1. van het hemelsch verblijf van de goden.

Wairocana is volgens de Indische gedsdiensten een klasse van geesteüjke wezens, die beschreven worden als de belichaming van wezenlijke wijsheid en absolute reinheid.

Waitz, Georg, een Duitsch geschiedkundige, geboren Flensburg den 9d™ October 1813, studeerde te Kiel en te Berlijn in de rechten en in de geschiedenis, werd medewerker aan de „Monumenta Germaniae historica" te Hannover en bezocht als zoodanig verschillende bibliotheken en archieven, terwijl hij onderscheiden Middeleeuwsche handschriften uitgaf.^ In 1842 werd hij tot hoogleeraar te Kiel benoemd, in 1846 werd hij afgevaardigde van deze universiteit in de Provinciale Stenden van Hannover, terwijl hij in 1848 deel uitmaakte van de Nationale Vergadering te Frankfort. In 1849 werd hij benoemd tot professor te Göttingen, waar hij een school van jonge geschiedkundigen stichtte, welke zich vooral toelegde op een critisch onderzoek van de geschiedenis der Duitsche Middeleeuwen. Na de reorganisatie der „Monumenta", kwam hij in 1875 aan het hoofd van deze onderneming te staan, waarna hij zich te Berlijn vestigde, waar hij als lid der academie ook voorlezingen hield aan de hoogeschool. Van zijn talrijke werken noemen wij: „Jahrbücher des Deutschen Reichs unter König Heinrich I." (3de druk, 1885), „Ueber das Leben und die Lehre des Ulfila" (1840), „Deutsche Verfassungsgeschichte" (8dln., 1844r—1878; dl. 1—3, 3de druk, 1880—1883; dl. 4, 2d* druk, 1883—1884; dl. 5 en 6, 2de druk, bewerkt door Zeumer en Seeliger, 1893—■ 1896), „Das alte Recht der salischen Franken" (1846), „Lübeck unter Jürgen Wullenweber" (3 dln., 1855—1856) „Grundziige der Politik" (1862), „Zum Gedachtnis an Jacob Grimm" (1863), „Ueber die angeblichen Erbansprüche des königlich preuszischen Hauses an die Herzoe-thiimer Schleswip--

Holstein" (1864) en „Urkunden zur deutschen Verfassungsgeschichte im 11 und 12 Jahrhundert" (2de druk, 1886). Bovendien bewerkte hij den 3den—5den druk van Dahlmamïs „Quellenkunde zur deutschen Geschichte." Hij overleed den 243ten Mei 1886 te Berlijn. Van zijn „Gesammelte Abhandlungen"

uitgegeven door Zeumer, verscheen dl. 1 (1896).

Waitz, Theodor, een Duitsch psycholoog en anthropoloog, geboren te Gotha den 17del1 Maart 1821, studeerde te Leipzig en te Jena in de letteren, wiskunde en wijsbegeerte, vestigde zich in 1844 als docent te Marburg en werd hier in 1848 buitengewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte. Uitgaande van de school van Herbart, naderde Waitz hoe langer zoo meer het empirisme. Geheel op den bodem daarvan staat zijn „Anthropologie der Naturvölker"(dl. 1-4, 1859—1864; dl. 5 en 6, „Die Völker der Südsee", bewerkt door Gerland, 1870—1871). Verder verschenen van hem: „Grundlegung der Psychologie" (2de druk, 1878), „Lehrbuch der Psychologie als Naturwissenschaft" (1849) en „Allgemeine Padagogik" (4de druk, met Waitz' kleinere, paedagogische geschriften uitgegeven door Wilhnenn, 1898). Hij overleed den 218ten Mei 1864 te Marburg.

Waitzen (Magyaarsch Vdcz), een plaats in het Hongaarsche comitaat Pest, ligt op den linker oever van de Donau en aan den spoorweg MarcheggBoedapest. Het is de zetel van een rechtbank en van een R. Katholieken bisschop, heeft 4 R. Katholieke en een Protestantsche kerk, een bisschoppelijk paleis, een klooster der Piaristen, der Franciscanen en der Barmhartige broeders, een godgeleerde school, een bisschoppelijk seminarium, een doofstommeninstituut, een gevangenis en een school voor ambachtsonderwijs. De plaats, welke (1901) 16 808

Sluiten