Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voorgaande, geboren te Jena den 259,en December 1726, was aldaar hoogleeraar in de godgeleerdheid en maakte zich bekend door talrijke geschriften op het gebied der kerkgeschiedenis, zooals: „Entwurf einer vollstandigen Historie der Ketzereien" (11 dln., 1762—1785) en „Neueste Religionsgeschichte" (9 dln., 1771—1783). Hij overleed den 10den Maart 1784 te Jena.

Walch, Karl Friedrich, een broeder van den voorgaande, geboren in 1734 en overleden in 1799 als hoogleeraar in de rechten te Jena, schreef: „Introductie in controversias juris civilis recentioris" (3de dmk, 8 dln., 1790), „Geschichte der in Deutscliland geitenden Rechte" (1780) en „Naherrecht" (1795).

Walchensee, een Alpenmeer in het Beiersche regeeringsdistrikt Opper-Beieren, van de N. lijk gelegen Koclielsee slechts door den rug van den Kesselberg gescheiden, ligt 790 m. boven den zeespiegel. De grootste lengte van het meer bedraagt 7,5 de grootste breedte 5 km. Nergens is het dieper dan 196 m. Ingesloten door voorgebergten der Alpen, die met hoog opgaand bosch bedekt zijn, is het rijk aan visch, vooral aan forellen, jonge zalmen enz. Op den oever ligt het dorp Walchensee met een kapel, alsmede eenige kleine buurtschappen. De afwatering heeft langs de Jachenau naar den Isar plaats.

Walcheren (zie de kaart van Zeeland), een der Zeeuwsche eilanden; is door op- en aanslibbing uit vier kleinere eilanden ontstaan; gescheiden door breede wateren, die ongeveer als stralen uit het middelpunt naar de naburige buitenwateren liepen en in het hart des eilands nog een driehoekig eiland afscheidden. Zoo liep in de 13de eeuw de Swaalinge, in het midden des eilands Bottinge geheeten, naar het Z. W., de Wijtvliet naar het Z., de Welsinge naar het Z. O. en de Arne naar het O., terwijl in het N. de Waal liep. Deze wateren werden in den loop der tijden afgedamd en in afgesloten watergangen veranderd, in welken toestand vele nog lang bleven bestaan. Ten slotte werden zij niet zelden geheel droog en bleef er alleen een geul of ondiepe vallei over, die den vroegeren stroom aanwees. Op deze plaatsen treft men thans strooken bouwland aan te midden van het weiland, wellicht hieraan toe te schrijven, dat die streken meer werden opgehoogd door kleibezinking dan de omringende, reeds vroeger ingedijkte landen. Evenals bij de overige eilanden, vallen ook bij Walcheren, naast aanwinst van land, heel wat verliezen door overstroomingen aan te wijzen, zoo in 1304, 1334, 1468, 1477, 1509, 1530, 1630, 1631, 1682, 1808 en 1825. Het eiland beslaat thans een oppervlakte van + 20 800 H. A. en telt ruim 50 000 inwoners.

Walcheren vormt bijna een vierhoekig eiland met de hoekpunten N., Z., O. en W. Het wordt bespoeld door de Noordzee, het Oostgat, de Deurloo, de Wester Schelde, het Sloe en het Veersche Gat. Een spoorwegdam door het Sloe verbindt het eiland met Zuid-Beveland. Langs de N. W. en Z. W. zijde wordt het eiland door duinen, elders door dijken beschermd. In het N. ongeveer 1500 m. breed, worden de duinen naar het W. toe steeds smaller, om bij Westkapelle bijna geheel op te houden. Hier is een zware dijk aangelegd, de Westkapelsche dijk (zie aldaar). Tot beveiliging van het strand zijn er aan de N. W. en Z. W. zijde van Walcheren een aantal met steen bezette rijzen hoofden aangebracht.

Buiten de duinen bestaat de bodem geheel uit zeeklei en is ingedeeld in polders, die wegens het groot verschil tusschen eb en vloed door sluizen hun water kunnen loozen. De afwatering van het land geschiedt door een aantal kleine wateren. Het belangrijkste water van het geheele eiland is het Kanaal van Walcheren van Vlissingen over Middelburg naar Veere met een zijtak naar Arnemuiden. Dit kanaal werd gegraven voor de scheepvaart, na afdamming van het Sloe. De eenige spoorlijn is die van Vlissingen over Middelburg en Goes naar Rozendaal; een electrische tram verbindt Middelburg met Vlissingen, een stoomtram Middelburg met Vlissingen aan de eene en met Domburg aan de andere zijde. Landbouw en veeteelt zijn de hoofdmiddelen van bestaan, terwijl de handel, eenmaal van veel beteekenis, thans alleen van plaatselijk belang is. Ook de nijverheid is onbeduidend; alleen Vlissingen heeft de maatschappij „De Schelde" voor scheeps- en machinebouw en een metaalgieterij. Visclivangst wordt er weinig uitgeoefend,daarentegen vormt het vreemdelingenverkeer des zomers een bron van inkomsten, want het eiland, rijk aan natuurschoon en met vele buitens, lokt vele bezoekers aan. Domburg en ook Vlissingen zijn badplaatsen. Van de plaatsen zijn Middelburg, de hoofdstad, en Vlissingen met personenverkeer op Engeland (QueensboroughFolkestone), de belangrijkste. Veere en Arnemuiden zijn typische „doode" stadjes. Daarnaast liggen er talrijke dorpen, verbonden door goede, schaduwrijke wegen.

Walcheren schijnt reeds zeer vroeg, wellicht reeds op het einde der 4de eeuw onder den tegenwoordigen naam (als Walachra of Walacria) bekend te zijn geweest, en reeds in den tijd der Romeinen vormde Domburg een zeehaven. Toenmaals strekte het eiland zich verder westwaarts uit; het landverlies aan deze zijde werd echter vergoed door latere aanwinsten in het O. en Z. O. In de 9de eeuw stond het eiland onder een Frankischen graaf, Eggiliardus geheeten, later kwam het in gemeenschappelijk bezit der graven van Vlaanderen en Holland, sedert 1323 met het overige deel van Zeeland geheel bij Holland. Nog in het begin der vorige eeuw bestond het uit twee eilanden: Walcheren en St. Joostland (het Z. O. deel van het tegenwoordige eiland); in 1818 werden zij door een dam verbonden en in 1846 en 1860 door bedijking van het Arnemuider Gat voor goed vereenigd.

Walck. is bij namen van dieren de afkorting voor Ch. A. Walckenaer (zie aldaar).

Walckenaer, Charles Athanase, baron, een Fransch geleerde en schrijver, geboren te Parijs den 258ten December 1771, nam gedurende de Omwenteling de wijk naar Schotland, werd na de Restauratie in 1816 één der maires van Parijs, in 1817 secretaris-generaal van de prefectuur van de Seine en in 1826 van Nièvre. In 1838 vestigde hij zich als ambteloos burger te Parijs, waar hij in 1840 secretaris van de „Académie des Inscriptions" werd. Van zijn talrijke geschriften zijn de biografische van het meeste belang. Wij noemen: „Histoire de la vie et des ouvrages de Lafontaine" (4de druk, 2 dln., 1858), „Histoire de la vie et des poésies d'Horace" (2de druk, 2 dln., 1858) en „Mémoires touchants la vie et les écrits de la marquise de Sévigné" (5 dln., 1842—1852). Daarnaast schreef hij een aantal romans en maakte hij naam als aardrijkskundige door

Sluiten