Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wapen v. Waldeck.

scheiden zijn. Het vorstendom Waldeck ligt tusschen de Pruisische provinciën Westfalen en Hessen-Nassau. Het is bedekt met uitloopers van het Rijnsch-

iWestlaalsche leisteengebergte en behoort tot de hoogst gelegen streken tusschen den jBijn en den Wezer. De hoogste punten zijn: de Hegekopf bij Stryck (846 m.), de Ettelsberg (834 m.) en de Pön bij Usseln (799 m.). Waldeck telt op een oppervlakte van 1121 v.km. (1906) 69127 inwoners. Zij zijn grootendeels Protestant. De bevolking, over 14 steden"fen 107 dorpen verbeeld, behoort ten N. van den ,'Eder tot den Neder-Saksi-

schen en ten Z. daarvan tot den Frankischen stam. De voornaamste inrichtingen van onderwijs zijn: een rijksgymnasium te Corbach, hoogere burgerscholen te Arolsen en te Niederwildungen, benevens 123 openbare, lagere scholen.

Van den bodem is (1900) 42,34% in gebruik voor land- en tuinbouw, 14,67% is bedekt met weiden en 38,18% met bosch. De voornaamste voortbrengselen van den landbouw zijn: rogge, haver, aardappelen en voedergewassen. Ooft (appels en pruimen) wordt vooral in de streek om den Eder geteeld. De veestapel van het geheele land bestond in 1904 uit 6838 paarden, 31159 runderen, 28 440 schapen, 42 467 varkens, 8895 geiten en 3553 korven bijen. De bosschen bestaan voor bijna 70% uit loof- en voor ruim 30% uit naaldhout. De mijnbouw (ijzeren kopererts) gaat achteruit. In 1905 werd 27 918 ton ijzererts gedolven; bovendien bevat de bodem een weinig gips en leisteen. De nijverheid is van weinig beteekenis. Het bezoek van de badplaats Niederwildungen neemt toe, zoowel als de uitvoer van mineraalwater (1904: 1,4 millioen flesschen). De hoofdstad van het vorstendom is Arolsen.

Beide vorstendommen hebben een beperkt monarchaal bestuur, dat op de grondwet van den 17den Augustus 1852 berust. De vorst, sedert den 12den Mei 1893 Friedrich Adolf Hermann, heeft het staatkundig bestuur aan den koning van Pruisen overgelaten en regelt alleen de kerkelijke aangelegenheden. De regeering is erfelijk in de mannelijke lijn, volgens recht van eerstgeboorte. Bij het uitsterven der mannelijke lijn gaat zij in het vorstendom Waldeck over op de vrouwelijke lijn, maar valt in het vorstendom Pyrmont aan Pruisen ten deel. Het vorstelijk Huis is gehouden, den Protestantschen godsdienst te belijden. De beide vorstendommen hebben een gemeenschappelijken Landdag van 12 afgevaardigden voor Waldeck en 3 voor Pyrmont. De leiding van het staatsbestuur is voor den duur van het met Pruisen gesloten Accessieverdrag van den 18d<m Juli 1867 opgedragen aan den „Landesdirektor", die, evenals alle staatsambtenaren, door den koning van Pruisen benoemd wordt. In den Bondsraad is Waldeck door een gevolmachtigde, in den Rijksdag door een afgevaardigde vertegenwoordigd. De residentie is Arolsen.

Het eertijds grafelijke Huis Waldeck stamt af van de graven von Schwalenberg. Het middelpunt van het graafschap was het landschap Waldeck in Hessen. hetwelk de stad en den burcht Waldeck, Sach-

senhausen, Bergheim en andere plaatsen omvatte. Het graafschap Pyrmont werd eerst in 1631 met Waldeck vereenigd. Graaf Adolf (1214—1270) is de stamvader van het tegenwoordig Huis Waldeck; zijn goederen bleven onverdeeld tot 1397. Omstreeks dien tijd overleed Hendrik de IJzeren, wiens zonen stichters werden van de lijnen Waldeck en Landau. Sedert 1438 waren de beide lijnen leenmannen van het Huis Hessen. Gedurende de regeering van Philips IV, die later ook deelnam aan den Schmalkaldischen Bond, werd in 1526 de Hervorming ingevoerd. In 1607 stichtten Christian en Volrad IV de lijnen Eisenberg en Wildungen. Het graafschap Wildungen kwam in 1664 aan graaf Georg Friedrich, die in 1682 door keizer Leopold I in den vorstenstand werd opgenomen. Met hem echter verdween in 1692 de lijn Wildungen, waarna haar goederen ten deel vielen aan Christian Ludwig, van de lijn Eisenberg, in welke, om verdere versnippering te voorkomen, in 1687 het eerstgeboorterecht werd ingevoerd. De zoon van dezen, Friedrich Anüm Ulrich, ontving in 1712 van keizer Karei VI de waardigheid van rijksvorst. Hij bouwde het slot te Arolsen. Op Friedrich Anlon Ulrich (+ 1728) volgden na elkander zijn beide zonen Christian F'hilipp (f 1728) en Karl August Friedrich (f 1763), welke laatste als generaal in Óostenrijkschen dienst deel nam aan den Oostenrijkschen Successie-oorlog. Zijn oudste zoon en opvolger Friedrich schonk in 1806 aan zijn jongsten broeder Georg het graafschap Pyrmont en voegde zich in 1807 bij den Rijnbond. Zijn jongere broeder Christian August (f 1798) onderscheidde zich als Oostenrijksch veldmaarschalk in den eersten Coalitie-oorlog. Daar Friedrich in 1812 kinderloos overleed, werd hij opgevolgd door zijn broeder Georg (1813), waardoor Waldeck en Pyrmont weder vereenigd werden. Hij werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Georg Friedrich Heinrich (1845), die zich in 1815 voegde bij den Duitschen Bond en in 1814 een nieuwe grondwet invoerde, welke echter groote ontevredenheid wekte bij de Stenden. In overleg met de ridderschap en de steden werd daarop den 9den April 1816 een gewijzigde grondwet afgekondigd, welke tot 1848 van kracht bleef. In 1832 voegde zich het vorstendom bij het Duitsche Tolverbond. Georg werd opgevolgd door zijn minderjarigen zoon Georg Victor. Een constitueerende Landdag stelde in 1848 de grondwet vast van den 23sten Mei 1849, waarin verantwoordelijkheid der ministers, vrijheid van drukpers, belasting op de kerkelijke goederen enz. als beginselen waren opgenomen. Vorst Georg Victor, die den 14den Januari 1862 meerderjarig werd, verklaarde echter, dat hij ongenegen was het bewind te aanvaarden, zoolang de democratische grondwet van 1849 van kracht bleef. Een opzettelijk daarvoor bijeengeroepen Herzienings-Landdag keurde daarop een nieuw ontwerp-grondwet goed, dat den 17den Augustus 1862 van kracht werd. Den l8ten Augustus 1862 werd een militaire conventie met Pruisen gesloten; in 1867 trad Waldeck tot den NoordDuitschen Bond toe. Daar het arme land de daarmede gepaard gaande lasten niet kon dragen, kwam den 18den Juli 1867 een Accessieverdrag tot stand. Het bestuur in Waldeck werd van den lsten Januari 1868 af, telkens voor den tijd van 10 jaren aan Pruisen opgedragen. De vorst behield het recht van genade, het bestuur over de kerkelijke aangelegenheden en de bekrachtiging der wetten. Georg Victor

Sluiten