Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen een inval deed in zijn gebied, versloeg hij dezen (1313), nam hem gevangen en bezette gedurende eenigen tijd Meiszen en Dresden. Daar Waldemar als beschermheer der Hansestad Stralsund zijn gezag deed gelden tegen Witzlav van Rugen, vereenigden zich de N. Duitsche vorsten, versterkt met de markgraven van Meiszen, tegen hem. Hij verloor wel is waar den slag van Grar see (Augustus 1316) tegen de Denen en Mecklenburgers,maar behield toch bij den Vrede van Templin (1317) zijn bezittingen, terwijl Meiszen Nederlausitz moest afstaan. Hij overleed den 14den Augustus 1319. Het Askanische Huis werd nu slechts vertegenwoordigd door zijn minderjarigen neef Heinrich, die met zijn moeder te Landsberg woonde, maar ook reeds in 1320 stierf. Toen nu het huis Wittelsbach door keizer Lodewijk den Beier (1323) met Brandenburg werd beleend, ontstond er groote verwarring, zoodat het volk vurig verlangde naar de vroegere dagen van Waldemar. Toen verscheen in 1347 voor den aartsbisschop van Maagdenburg een pelgrim, die zich uitgaf voor den overleden Markgraaf Waldemar. Volgens zijn bewering had hij, om zijn huwelijk in verboden graad met zijn nicht Agnes te ontbinden, zich ziek gehouden en bevel gegeven, om het lijk van een ander als het zijne te Choriu te begraven. Hij zelf echter was ter bedevaart gegaan naar het Heilige Graf, waar men hem had vast gehouden. De aartsbisschop en ook de Askanische vorsten van Saksen en Anhalt verklaarden, in de hoop, aldus het land voor hun Huis te bewaren, dat hij werkelijk de dood gewaande markgraaf was. Bijna het geheele land schaarde zich aan zijn zijde. Slechts weinige steden waren Lodewijk nog trouw gebleven, toen keizer Karei IV in 1348 in Brandenburg verscheen en, uit vijandschap tegen het Huis Wittelsbach, Waldemar den 2den October plechtig met het land beleende, nadat onderscheiden vorsten en ridders de identiteit van den persoon met eede hadden bevestigd en deze de Lausitz aan Bohemen had afgestaan. Nadat echter Lodewijk den tegenkoning Günter von Scliwarzburg verlaten en Karei IV erkend had, werd Waldemar in 1350 voor den Rijksdag te Neurenberg gedaagd, om zijn aanspraken te bewijzen. Daar hij niet verscheen, verklaarde de keizer hem voor een bedrieger. Door allen verlaten, nam Waldermar de vlucht naar Dessau, waar hij tot zijn dood (1357) vorstelijke eerbewijzen genoot. De onechtheid van den valschen Waldemar staat vast. Wie de bedrieger echter was, is onopgehelderd gebleven.

Waldemar, prins van Pruisen, Friedrich Wilhelm, geboren den 2den Augustus 1817, een zoon van prins Wilhelm, een broeder van koning Frederik Willem III, was in 1844 opgeklommen tot den rang van kolonel en volbracht toen een reis naar Nederlandsch Oost-Indië. In den oorlog van de Engelschen tegen de Sikhs woonde hij de veldslagen bij Mudli (18 December 1845), bij Serozsja (21 en 22 December) en bij Sobraon (10 Febmari 1846) bij. In het midden van Juni 1846 was hij weder te Berlijn. In 1848 vertrok hij als commandant van een brigade cavalerie naar Munster, waar hij den 17den Februari 1849 overleed. Zijn dagboek en teekeningen leverden de stof voor het prachtwerk: „Zur Erinnerung an die Reise des Prinzen Waldemar" (2 dln., 1885).

Waldemar, prins van Denemarken, geboren den 278ten October 1858, de derde zoon van koning

Christiaan IX van Denemarken, is luitenant ter zee bi j de Deensclie Marine, en sedert en 25sten October 1885 gehuwd met prinses Maria van Orleans, een dochter van den hertog van Chartres. Den 10d™ November 1886 werd Waldemar door de Sobranje te Tirnowa eenstemmig tot vorst van Bulgarije gekozen, voor welke keuze hij echter bedankte.

Waldenburg-, nen plaats in het Pruisische distrikt Breslau, ligt aan een bronarm van den Polsnitz in liet middelpunt van het Waldenburgsche gebergte. Het is een kruispunt der spoorwegen DittersbachNieder-Salzbrunn en Altwasser-Wrangelschacht, bezit een Protestantsche, een Oud-Luthersche, een Apostolische en 2 R. Katholieke kerken, een synagoge, een fraai stadhuis, een gymnasium en gedenkteekenen van keizer Willem I, Frederik 111 en van Bismarck. In de plaats, welke (1905) 15 435 inwoners telt, is een groote porseleinfabriek gevestigd. Verder bezit zij glas-, machine-, lucifers- en kachelfabrieken, draadvlechterijen en vlasspinnerijen. In de nabijheid ligt het dorp Ober-Waldenburg met een slot, steenkoolmijnen, spinnerijen en (1905) 4758 inwoners.

Waldenström, Paul, een Zweedsch godgeleerde en staatsman, geboren den 20sten Juli 1838 te Lule&, studeerde in de godgeleerdheid en de taalkunde, was van 1864—1905 lector te Ume& en Gefle en stichtte in 1872 de vrijzinnige sekte der W a 1denströmianen, wier denkbeelden hij in het geschrift „Om försoningens betydelse" (2de druk, Stockholm, 1873) uiteenzette en die in Zweden, Denemarken en Finland en onder de Zweedsche Amerikanen grooten aanhang gevonden heeft. In 1868 werd hij redacteur van den „Pietisten." Als lid van de Tweede Kamer van den Rijksdag (1885—1905) werkte hij met goed gevolg voor de bevordering van de matigheid, de verheffing van de zedelijkheid en de vermeerdering der weerbaarheid. Van zijn godsdienstig-staatkundige verhandelingen, reisbeschrijvingen enz. noemen wij: „Brukspatron Adamsson etc." (5de druk, 1891), „Om bibellasning i skolan" (1867), „Andeliga s&nger" (4de druk, 1877), „Försök tillgranskning af M. Luthers lillakatekes"(1873), „De justificatione quid statuant libri symbolici ecclesiae lutheranae" (1874), „Herren ar from" (5de druk, 1881), „Predikningar öfver svenska kyrkans högmessotexter" (4 dln., 1876), „Barn dopets liistoria" (4üe druk, 1883), „Om Guds rike och församlingen" (2de druk, 1883), „Guds eviga fralsningsr&d" (2de druk, 3 dln., 3891), „Kristi afsked fr&n sinalarjungar" (1894), „Till österland" (1896), „Jesu pinas och uppst&ndelses historia" (1897) en „Dop och brandop" (1898). Bovendien leverde hij een vertaling van het Nieuwe Testament met aanteekeningen (2 dln., 1883—1894) en „Davids psalmer med utlaggning" (dl. 1,1900).

Waldenzen vormen een godsdienstige sekte, welke haar naam ontleent aan (Petrud?) Valdes, Valdez of Waldus, een rijk burger van Lyon. Onder den invloed der legende van den heiligen Alexius en der gelijkenis van den rijken jongeling (Mattheüs 19:21), liet hij zich verschillende stukken van den Bijbel vertalen en werd door het bestudeeren daarvan geleid tot het besluit,om doorvrijwilligearmoede de apostolische zuiverheid van de kerk weder te herstellen. In 1177 stichtte hij een vereeniging voor de prediking van het Evangelie en trok met zijn volgelingen door het land, die, omdat zij afstand van alle

Sluiten