Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezit gedaan hadden, Pauperes de Lugduno (Armen van Lyon, vandaar ook Leonisten) genaamd werden. De Lombardische Waldenzen (Pauperes italici) vereenigden zich te Milaan met het aldaar reeds bestaande leekengenootschap der Humiliaten (zie aldaar). Met de Kerk kwamen zij al dadelijk in botsing wegens het lezen van den Bijbel en het prediken van leeken en later ook wegei.s de loer der sacramenten. Zij werden om die reden door Lucius III op de Synode te Verona (1184) en door Innocentius III op het Lateraanconcilie (1215) in den ban gedaan. Niettemin breidden zij zicli uit in Italië, Frankrijk en Bohemen. In de 15ae eeuw gaf de vereeniging met de Hnssietisch-Taboritische propaganda nieuwe kracht. Toch mag men hen in dit stadium niet aanzien als voorloopers der Hervorming. Noch de rechtvaardiging door het geloof, noch het algemeene priesterdom behoorde tot hun leerstellingen. Wel verwierpen zij de leer van het vagevuur en van den aflaat zoowel als de zielmissen. Overigens leidden zij een leven in overeenstemming met de Bergrede. Bovendien eischten de Lombarden, dat alleen een zedelijk waardig priester het avondmaal zou toedienen; de Franschen verklaarden elk priesterlijk sacrament voor geldig. Ook was de terugkeer tot het zuiver apostolische bij genen vollediger; zij verwierpen de mis en de kerkelijke feesten. Vandaar ook, dat zij meer aan vervolgingen waren blootgesteld. Sixtus IV predikte in 1477 zelfs een kruistocht tegen hen. De Hervorming deed ook op hen haar invloed gelden. In 1532 had onder Farel een Waldenzensynode plaats, welke de mondelinge biecht en het zevental sacramenten afschafte, den coelibaatsdwang ophief en zich aansloot bij de gereformeerde leer der praedestinatie. Gedurende het tijdvak van 1545—1685 stonden de Waldenzen aan hevige vervolgingen bloot. Uitgeweken Waldenzen stichtten koloniën in Brandenburg, Württemberg, de Palts, Hessen, Nassau en Zwitserland, welke haar eigenaardigheden tot op dit oogenblik hebben bewaard.

Door patent van den koning van Sardinië van den 17"« Februari 1848 verkregen de Italiaansche Waldenzen vrijheid van godsdienst en dezelfde bur- i geilijke rechten als de R. Katholieke ingezetenen. 1 Zij bewonen thans in hoofdzaak de drie Alpendalen ' Val Martino, \ al Angrona en Val Lucerna, waar zij i zich door reinheid van zeden, en werkzaamheid on- I derscheiden. In 1902 telde men 46 gemeenten, 68 evangelisatiestations en 16 kleinere filialen met te i zamen 6 276 communicanten. De synode, samenge- t steld uit geestelijken en leeken, vergadert jaarlijks 1 afwisselend in één der genoemde drie dalen. Vroe- 1 ger mocht ieder, ook vrouwen, als predikant op- t treden. Volgens voorschrift van 1839 moeten thans 1 echter de predikanten gestudeerd hebben. De god- li geleerde school, gevestigd te Florence, telde in 1902 i 3 hoogleeraren en 4 studenten. Het hoofdorgaan u der Waldenzen is de „Rivista Cristiana". Sedert <' 1889 bestaat te Turijn de Société d'histoire Vau- v doise. ;

Waldersee, Alfred, graaf von, een Pruisisch 1(

generaal, geboren den 8*«<« April 1832 te Potsdam o

werd in 1862 kapitein bij de artillerie, maakte als lid g

van den generalen staf den Boheemschen veldtocht G

mede, werd in 1870 militair-attaché te Parijs en in s<

1871 commandant van het 13de regiment ulanen te d

Hannover. In 1873 werd hij chef van den generalen li £taf van het 10de legercorps en in 1888, als opvolger XV

'n van Moltke, chef van den generalen staf en generaal n. van de cavalerie. In 1900 belast met het opperbevel ï- o\ er liet internationale leger ter onderdrukking van b- den Boxersopstand in China, landde hij den 228ten 1- September te Shanghai, bereikte Peking den 17den t- October en aanvaardde na de ontbinding van de O n Aziatische expeditie den 23»'™ Juni 1903 de terug'■ reis. Hij overleed den 5<^ Maart 1904 te Hannover. e Waldeyer, Wilhelm, een Duitsch ontleed1 kundige, geboren den 6"»° October 1836 te Hehlen ]. (Brunswijk), studeerde te Göttingen, Greifswald en k Berlijn, vestigde zich in 1864 als privaatdocent te t Ureslau, waar hij in 1865 werd benoemd tot hooge ieeraar in de pathologische anatomie. In 1872 werd - hij directeur van het Ontleedkundig Instituut te e Straatsburg en in 1883 van dat te Berlijn. Hij hield e zich vooral bezig met de mikroskopische ontleed1 kunde van de zenuwvezels, het gehoororgaan, den i eierstok, het bindweefsel der oogen en van de hoorn1 huid, terwijl hij eveneens een aantal verhandelingen . schreef over de ontwikkelingsgeschiedenis der gei slachtsorganen, der tanden en der kiembladen. Van zijn hand verschenen: „Eierstock und Ei" (1870) : „Atlas der menschlichen und tierischen Haare sot wie der ahnlichen Fasergebilde" (1884), „Wie'soll • man Anatomie lehren und lernen" (1884)', „Medi, anschnitt einer Hochschwangern bei Steisz'lage des ' ° . (1886), „Das Gorillarückenmark" (1889) l „Beitrage zur Kenntnis der Lage der weiblichen Beckenorgane" (1892), „Die Kolonnischen, die Artenae colicae und die Arterienfelder der Bauchhö' "Die Geschlechtszellen" (in Hartim's

„Handbuch der Entwickelungsgeschichte", 1903) en „Die Bildnisse Friedrichs des Groszen und seine aussere Erscheinung" (1900). Als vervolg op JösseVs „Lehrbuch der topographisch-chirurgischen Anatomie schreef hij „Das Becken" (1899). Bovendien is hij lid der redactie van het „Archiv für mikroskopische Anatomie" en het „Archiv für Anatomie und Physiologie."

Waldhoorn of Woudhoorn. Zie Jachthoorn.

Waldis, Burkard, een Duitsch fabeldichter geboren omstreeks 1490 te Allendorf aan de Werra' werd in 1522 Franciscaner monnik te Riga en nam' waarschijnlijk onder invloed van de indrukken van een reis naar Rome (1523), in 1524 de leer van Lutlier aan. Hij vestigde zich nu te Riga als tingieter. In 1536 werd hij wegens het deelnemen aan een samenzwering tegen de Duitsche Orde gevangen genomen. In 1540 bevrijd, studeerde hij te Wittenberg en werd in 1544 predikant te Abterode bij Allendorf. Zijn eerste gedicht is het Neder-Duitsche treurspel „Die Parabel vom verlornen Sohn", in 1527 te Riga opgevoerd. In de gevangenis vertaalde hij de Psalmen (gedrukt in 1553). Het meest bekend is hij echter door zijn „Esopus Gantz Neu gemacht und m Rennen im Druck nicht gesehen noch auszgegangen (1548 ; 6*e druk, 1584; nieuwe bewerking van Tittimn, 1882), een verzameling van 400 berijmde fabels en kluchten, voor drie vierden ontleend aan het fabelboek van Dorpius en overigens ontleend aan den volksmond en aan levenservaringen van den dichter zelf. Vele latere dichters, zooals Gellert, Zaeharia en Hagendorn, ontleenden voor verschillende van hun beste gedichten de stof en zelfs de inkleeding aan Waldis. Hij overleed omstreeks 1557 te Abterode.

Waldorp, Jan Gerard, een Hollandsch deco-

49

Sluiten