Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantal landhuizen. De plaats telt (1801) 95 131 inwoners.

Waltharllied, juister Waltharius manufortis. is de naam van een Latijnscli gedicht, dat in ongeveer 930 hexameters als metrische oefening door den monnik Eekehardt 1 (f973) te St. Gallen is vervaardigd en dat later door een monnik van ditzelfde klooster, Eekehardt IV (f 1060) gede< ltelijk werd omgewerkt. Het gedicht is, ondanks aUe Christelijke bijmengselen één van de belangrijkste bronnen van de kennis der oude Duitsche heldensage. De held van het gedicht is Walther van Aquitanië (zie aldaar). Van een Angel-Saksisch allittereerend en een strofisch Middel-IIoogduitsch Waltharilied zijn slechts brokstukken bewaard gebleven.Het Poolsche „Walczerz wdaly" bevat, naast oude trekken, ook geheel nieuwe motieven van jongeren datum.

Walther, Johannes, een Duitsch geoloog, geboren den 209ten Juli 1860 te Neustadt a. d. Orla, studeerde in de biologie, geologie en palaeontologie, vestigde zich in 1886 te Jena als privaatdocent, werd in 1890 buitengewoon hoogleeraar, verwierf in 1894 het Haeckelprofessoraat voor geologie en palaeontologie en werd in 1906 benoemd tot gewoon hoogleeraar en directeur van het mineralogisch instituut te Halle. Hij bestudeerde de gesteldheid van den bodem en de fauna van de Middellandsche en de Roode Zee, onderzocht de Egyptische en N. Amerikaan sche woestijnen en bereisde ook Nederlandsch O. Indië. Van zijn hand verschenen: „Untersuchungen über den Bau der Crinoiden" (1886), „Die Korallenrifïe der Sinaihalbinsel" (1888), „Die Denudation in der Wüste" (1891), „Allgemeine Meereskunde" (1893), „Einleitung in die Geologie als historische Wissenschaft" (3 dln., 1893 —1894), „Geologische Heimatskunde van Thüringen" (3de druk, 1906), „Vorschule der Geologie" (3de druk, 1907), „Das Gesetz der Wüstenbildung" (1900), „Die Fauna der Solnhofener Plattenkalke" (1903) en „Geschichte der Erde und des Lebens" (1908).

Walther van Aquitanië is de held van een Germaansche sage, waarvan de volgende inhoud alleen bekend is uit het „Waltharilied (zie aldaar). Zij verhaalt hoe Walther vm Aquitanië bij een bergpas in de Vogezen, waardoor de oude volkerenweg leidde, moedig stand hield tegen Gunthari, koning der Bourgondiërs en zijn mannen. Twaalf strijders werden tegen den held uitgezonden, om hem de schatten, welke hij uit het land der Hunnen had medegevoerd en zijn verloofde, Hildegond, die met hem uit de gijzeling bij Attila was ontvlucht, te ontrooven. Ieder van deze twaalf tweegevechten brengt de overwinning aan Walther.

I Walther van Sensaveir of Habenichts, een Fransch ridder, plaatste zich in 1095 met zijn oom, 11 alther van Poissy, aan het hoofd van een troep Kruisvaarders van minder allooi, welke, zonder op het eigenlijke leger der ridders te wachten, langs de Donau en over Konstantinopel naar Klein- i Azië trok, zich daarbij aan roof, plundering en andere gewelddadigheden schuldig maakte, maar door honger, ziekte en ook door het zwaard bijna geheel omkwam. Walther zelf vond den 218len October 1906 den dood op een strooptocht in de nabijheid van i Nicaea.

Walther von der Vogelweide, de grootste duitsche lierdichter der Middeleeuwen, werd waarschijnlijk tusschen 1165 en 1170 geboren. Over

zijn geboorteplaats is niets met zekerheid bekend. Zijn gedichten dagteekenen, voor zoover vastgesteld kon worden, tusschen 1198 en 1228. Hij was van ridderlijke afkomst, maar onbemiddeld. Bij Reinmar den Oudere in Oostenrijk leerde hij „zingen en zeggen." Bij hertog Frederik den Katholieke (f 1198) stond hij hoog in aanzien, maar bij diens opvolger, Leopold VII, zocht hij tevergeefs een onderkomen. Walther verliet daarop Weenen en leidde een zwervend leven, dat hem van de Seine tot den Mür en van de Po tot de Trave voerde. Wij ontmoeten hem te Mainz bij Philips van Zwaben, voor wen hij gedurende de troebelen van den Verkiezingsoorlog met forsche spreuken optrad. Bij zijn kroning te Mainz (September 1198) en bij den schitterenden hofdag, dien de koning met Kerstmis 1199 te Maagdenburg hield, bezong hij Philips met geestdrift. Omstreeks Pinksteren 1203 vertoefde hij weder te Weenen. Sedert 1204 was hij herhaaldelijk de gast van landgraaf Hermann van Thüringen te Eisenach, waar hij gelijktijdig met Wolfram von Eschenbach vertoefde. Na den dood van Philips koos hij in den strijd van keizer Otto tegen Innocentius III de zijde der Weljen en bleef standvastig, totdat de zaak van Otto reddeloos verloren was. Toen eerst voegde hij zich bij den tegenkeizer, Frederik II (1213—1214). Wat Walther bij herhaling vruchteloos van Otto gevraagd had, de toekenningvan een riddergoed, werd hem door Frederik II bewilligd. Hij ontving in 1214 een leengoed, dat wel is waar niet veel opbracht, maar dat den dichter een welkome rustplaats bood.Nieuwe zwerftochten brachten hemnaar Karinthië, Aquileja, Mödling, Tegernsee en naar Oostenrijk (1217), waar hij tot ongeveer 1220 bleef en den hertog, die van een Kruistocht terugkeerde, begroette. Op last van Frederik II was hij daarna werkzaam voor de verkiezing van Hendrik VII en voor den Kruistocht. In dank daarvoor ontving hij na 1220 een nieuw en rijker leen te Würzburg, dat den zanger eindelijk een verzekerd bestaan gaf. Den vermoorden Engelbert beklaagde hij op den rijksdag te Neurenberg (November 1225). Nog eens verhief hij zijn stem toen Rome opnieuw zijn keizer in den ban deed' (November 1227); zijn pathos is echter steeds vermengd met elegische klanken. Hij overleed omstreeks, 1230, waarschijnlijkt te Würzburg, waar hij in den nieuwen dom begraven werd. In September 1889 werd te Bozen een bronzen standbeeld voor hem onthuld.

Walther dichtte liederen en spreuken. Begonnen naar den trant van Reinmar met bespiegelende minneliederen, zag hij zich, doordat hij op straat en aan de hoven zijn brood moest verdienen, gedwongen zijn vooroordeel, dat alleen het hoofsche minnelied en den ridderroman geschikt achtte, te overwinnen. Door aldus den volmaakten kunstvorm der hoofsche dichters met de verkwikkende frischheid van het volkslied en met den uitgelaten humor van de lyriek der zwervers te verbinden, schiep hij de zuiverste vormen van het minnelied, zooals „Unter der Linde." Duitschlands roem bezong hij in „Ihr sollt heiszen willekommen". De demagogische macht van zijn staatkundige spreuken, maakte den armen dichter tot een begeerden bondgenoot voor het keizerdom in zijn strijd om de wereldmacht.

Zonder een groote school te vormen, gold Walther in zijn tijd als grootste meester der lyriek. De meesterzangers namen hem onder hun 12 oude meesters

Sluiten