Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, anderzijds beschermers van scheepvaart en handel. Hun eeredienst ontstond, naar het schijnt, het eerst bij de Z. Germanenen kwam van dezen naar Scandinavië.

Wang is in den scheepsbouw de naam van een stuk hout, dat aan de eene zijde rond, aan de andere zijde hol is en aan den kant tegen zware masten wordt aangebracht om ze te steunen en de toppen te verbreeden, wanneer het hout van den mast daartoe de afmetingen niet heeft.

Wangemann, Hermann Theodor, een Duitsch godgeleerde, geboren den 278ten Maart 1818 te Wilsnack, werd, na een langdurig verblijf in Zwitserland, in 1845 rector en hulpprediker te Wollin, in 1849 directeur van het seminarium en archidiaconus te Kammin en in 1865 directeur van het Berlijnsche Zendingsgenootschap in Zuid-Afrika, als hoedanig hij tweemaal (1866—1867 en 1884—1885) het gebied der zending bereisde. Van zijn geschriften noemen wij: „Sieben Bücher preuszischer Kirchengeschichte" (3 dln., 1859—1860), „Reise durch das gelobte Land" (3de druk, 1876), „Ein Reisejahr in Süd-Afrika"(1869), „Gustav Knak, ein Lebensbild", „Gesehichte der Berliner Missionsgesellschaft und ihrer Arbeiten in Süd-Afrika" (4 dln., 1872—1874), „Lebensbilder aus Süd-Afrika" (3de druk 1876), „Süd-Afrika und seine Bewohner" (1881), „Ein zweites Reisejahr in Süd-Afrika" (1886), „Die kirchliche Kabinetspolitik des Königs Friedrich Willhelm III" (1884) en „Die lutherische Kirche der Gegenwart in ihrem Verhaltnis zur Una sancta" (3 dln., 1883—1884), een herziene uitgave van de „Sieben Bücher preuszischer Kirchengeschichte", waarin hij wel is waar het standpunt der Luthersche orthodoxie verdedigt, maar de Oud-Lutherschen bestrijdt. Hij overleed den 18den Juni 1894 te Berlijn.

W angemann, O tb, een Duitsch componist en organist, geboren den 9den Januari 1848 te Loitz aan de Peene, was een leerling van Kiel en werd in 1886 organist van de Louisakerk te Charlottenburg en zangleeraar aan verschillende inrichtingen van onderwijs te Berlijn. Hij schreef: „Grundrisz der Musikgeschichte" (1882), „Geschichte der Orgel" (3<"= druk, 1891), „Geschichte des Oratoriums" (1882) en „Die Orgel und ihr Bau" (3de druk, 1895). Van zijn composities noemen wij „Chorgesange fyj- Gymnasien" (3de druk, 1892). Van 1878—1886 was hij redacteur van „Toonkunst" en in 1894 ontving hij den persoonlijken titel van hoogleeraar.

Wangen (Gena) noemt men bij de gewervelde dieren die gedeelten van het aangezicht, welke de dikwijls sterk uitstekende jukbeenderen bedekken. Zij zijn uitwendig door de huid, inwendig door een slijmvlies bekleed en worden gevormd door de wangspier (Musculus baceinator), de kauwspier (M. Maseter) en de groote en kleine en juksbeenspier (M. zygomaticus major et minor).

Wangenheim, Karl August, vrijheer von, een Württembergsch staatsman, geboren den 14den Maart 1773 te Gotha, studeerde in de rechten, bekleedde verschillende ambten in Saksen-CoburgSaalfeld en ontving in 1804 wegens oneenigheid met den minister ontslag. In 1806 werd hij voorzitter van het departement van Financiën te Stuttgart, in 1811 president van het Hooggerechtshof en curator der universiteit te Tubingen, in 1816 minister van Eeredienst en in 1817 gezant bij den Bondsdag.

i Hier verdedigde hij de vrijzinnige, constitutioneele , beginselen van de Z. Duitsche regeeringen, waardoor • hij zich de ontstemming op den hals haalde van Mettemich, die in 1823 zijn ontslag bewerkte. Na ; dien tijd woonde hij bij afwisseling te Dresden, Coi burg en Jena. Hij overleed te Coburg den 19dei1 Juli 1850. ^

Wangeroog:, een van de O. Friesche eilanden in de Noordzee, dat behoort tot hot Oldenburgsch ambt Jever, ligt op 7 km. afstand van de kust,°terwijl het 30 km. van den mond van de Wezer is verwijderd. Het is bijna 8 km. lang en 1 km. breed en telt op een oppervlakte van 6,66 v. km. (1905) 368 inwoners. Het bezit een vuurtoren, een Protestantsche kerk, een reddingsstation en een zeebadinrichting. Het eiland werd door afslag steeds kleiner, maar is thans door zeeweringen beveiligd.

Wang* t$ji foe, een Chineesch tooneelschrijver, leefde in de 13de eeuw n. Chr. onder de dynastie van de Youens en is de stichter van een soort van lyrische drama's of opera's, die thsa-khi worden geheeten. Van zijn dertien werken is „Si siang ki" het meest beroemd geworden. Zijn landgenooten rekenen hem tot de 10 thsaï-tseu of geniale schrijvers.

Wangzakken noemt men bij zoogdieren (bij Vj bij vele apen der Oude Wereld en bij vele op den grond levende knaagdieren) twee symmetrisch naast de mondholte gelegen huidzakken. Zij zijn waarschijnlijk ontstaan als gevolg van de gewoonte om voedingsmiddelen, die niet dadelijk verwerkt konden worden, in den mond tusschen de kaak en de wang te bewaren. De eenvoudigste wangzakken komen voor bij de apen. Bij de knaagdieren zijn zij veel meer ontwikkeld; zij ontbreken echter bij de muizen, stekelvarkens, eekhoorns enz. Bij de marmot en den prairiehond zijn zij weinig ontwikkeld, terwijl zij bij den hamster zeer groot zijn. Bij de N. Amerikaan sche zakmuis (Saccomys) liggen de langwerpige openingen der wangzakken buiten de mondholte aan weerszijden van den snuit. Het grootst zijn de wangzakken bij de N. Amerikaansche zakratten (Geomys), bij welke de opening buiten de mondholte als een groote spleet van den mondhoek naar de onderkaak loopt. Bij den merkwaardigen paca (Coelogenys) in het Z. van Z. Amerika komt, naast de gewone wangzakken, nog aan weerszijden een met een zachte huid bekleede holte in het beenig gedeelte van de bovenkaak en het jukbeen voor, welke door een nauwe spleet met de mondholte in verbinding staat.

Waning Bolt, Jacob van, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Amsterdam den 7dcn December 1817, studeerde te Groningen in de godgeleerdheid, werd in 1848 predikant te Grootegast en Doezum, was van 1852—1865 werkzaam bij de Protestantsclie gemeente te Antwerpen en belastte zich toen te Leiden met de redactie van het „Geïllustreerd Nieuws". In 1869 vertrok hij als predikant naar Letterbert in Groningen, in 1875 als zoodanig naar Weerseloo in Overijsel en in 1880 naar Ameland. Hij schreef: „Romantische tafereelen" (1841), „De Christen beschouwd in sommige van zijn betrekkingen tot de Kerk, de maatschappij en het huisgezin" (2de druk, 1854), „Hamael, de rijke arme (1859), „De idealen Van dominé van Beek" (1867), „Ongelijk, maar niet ongelukkig" (1868) en „Daarheen niet! Een antwoord op de vraag van dr. J. Cramer" (1873). Verder was hij hoofdredacteur van

Sluiten