Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11a Maria Lenngren" (1887), „Hedlinger" (1890), „Karl August Ehrensvard" (1893). Viktor Rydberg" (2 dln., 1900), „Carl Snoilsky"(1905), „Johan Gabriel Richert"(2 dln., 1905) enz. Met H. Schück gaf hij de „Illustrerad svensk litteraturhistoria"(3 dln., 1895 —1897) uit, waarin hij het tijdvak van 1718—1830 behandelde.

Warburton, William, een Engelsch godgeleerde, geboren in 1698 te Newark, was gedurende eenigen tijd werkzaam als advocaat, werd in 1727 priester en in 1728 rector (geestelijke) te GrantBroughton in het graafschap Lincoln. Zijn verhandeling over de verhouding van Kerk en Staat, getiteld: „The divine legation of Moses demonstrated" (1733—1740) onderscheidt zich meer door dogmatische stelligheid dan door degelijke bewijsvoering. In 1739 verdedigde hij de rechtzinnigheid van Pope's „Essay on man", waardoor tusschen hen een innige vriendschap ontstond. Met Hume, Voltaire, Lowth en Wesley voerde hij lange polemieken. In 1754 benoemd tot kapelaan van den koning, werd hij in 1757 deken van Bristol en in 1759 bisschop van Glocester. Hij overleed den 7aen Juni 1779 te Glocester.

Warburton, Peter Egerton, een Engelsch reiziger in Australië, geboren den 15aen Augustus 1813 bij Northwich, nam in 1825 dienst bij de Engelsclie marine, ging in 1839 naar Britsch-Indië en later naar Z. Australië, waar hij van 1854—1867 directeur der politie en van 1869—1877 aanvoerder van het corps vrijwilligers was. Na verschillende kleinere reizen (van Adelaïde in 1858 naar het Gaïrdner- en Torrensmeer, in 1860 naar de Streakybaai, in 1864 en 1866 naar het Eyremeer), volbracht hij van 1872—1874 een tocht dwars door Australië van Adelaïde naar den mond van de De Grey. Van zijn hand verschenen: „Major Warburton's diary"(1866) en „Journey across the western interior of Australia" (1875). Hij overleed den 5den November 1889 te Burnside bij Adelaïde.

Ward, James, een Engelsch schilder, geboren te Londen den 23Bten October 1769, schilderde voornamelijk dieren, maar ook slagvelden. Op aanzoek van het British Institution schilderde hij een allegorische voorstelling van den Slag van Waterloo. Verder leverde hij onderscheidene, genrestukken, vooral tooneelen met smokkelaars en wildstroopers. Vele van zijn dierstukken zijn bekend als etsen ; zij verschenen in een prachtwerk, door J. Boydell in 1805 aangevangen, met tekst van John Lawrence. Houtsneden naar zijn dierteekeningen komen voor in Youatt's „Treatise on horse." Hij overleed te Cheshunt den 239ten November 1859.

Ward, Edward Matthew, een Engelsch schilder, geboren te Londen in 1816, ontving zijn opleiding aan de academie aldaar en bezocht vervolgens Rome en München. Aanvankelijk schilderde hij historische genrestukken; later bepaalde hij zich bij het historieschilderen. Tot zijn beste stukken behooren o.a.: „Johnson, het handschrift van den Vicar of Wakefield lezend", „Oliver Goldsmith, voor de boeren van het dorp op de fluit spelend", „Johnson in de antichambre van lord Chesterfield", „Het ontslag van lord Clarendon na zijn laatste onderhoud met Karei II", „Gesprek van Karei II met Nel Groynne", „Jacobus II bij het bericht der landing van den prins van Oranje", „Het gezin van den koning van Frankrijken den Temple", „Charlotte

Corday op weg naar het schavot", „De moord van Riccio", „De dood van Karei II", „In het atelier van Hogartli", en „Anna Boleyn op weg naar het schavot." Sedert 1852 schilderde hij fresco's in het Parlementsgebouw. Hij overleed den 15den Januari 1879 te Londen.

Ward, Lester Frank, een Amerikaan sch geleerde, geboren te Joliet in Illinois in 1841, legde zich op geologische en paleontologische onderzoekingen toe en werd directeur van het Smithsonian Institution te Washington. Hij houdt zich inzonderheid bezig met studies op het gebied van de sociologie. In 1879 verscheen van hem een verhandeling over HaeckeVs „Anthropogenie" .Verder schreef hij: „Dynamic Sociology" (1883), „The psychic factors of Civilisation"(1897), „Outlines of Sociology"(1898), „Pure Sociologie"(1903) en „Soziologie von heute" (1903).

Ward, Humphry, een Engelsch romanschrijfster, met den meisjesnaam Mary Augusta Arnold, geboren den llden Juni 1851 te Hobart (Tasmanië), vertrok in 1856 met haar vader naar Engeland, waar zij in 1872 den schrijver Thomas Humphry Ward huwde. Zij begon met artikelen in den „Dictionary of Christian Biography" van Wace, in „Macmillaivs Magazine", den „Saterday Review" en andere tijdschriften en publiceerde daarna studies over de geschiedenis der Spaansche W. Goten. Haar eerste beide romans: „Milly and 011y"(1881) en „MissBretherton" (1884) vonden weinig bijval. Reusachtig succes had echter „Robert Elsmere" (1888), waarin de strijd van een godsdienstige natuur tegen den twijfel, opgewekt door de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, wordt uitgebeeld. Niet minder succes hadden: „The history of David Grieve" (3 dln., 1892) en „Marcella" (3 dln., 1894). Haar nieuwste romans zijn: „Sir Gorge Tressady" (1896), „Helbeck of Dannisdale" (1898), „Eleanor" (1902), „Lady Rose's daughter" (1903) en „The marriage of William Ashe" (1905).

Wardar (Vardar, in de Oudheid Axios), een rivier in Europeesch Turkije, ontspringt boven Gostivar in de bergen van Dibra, stroomt N. O. lijk door het bekken van Tetovo, daarna Z. O. waarts door Macedonië en mondt, in het geheel 386 km. lang, uit in de Golf van Saloniki. Met den Kara Asmak vormt zij aan de monding een delta, de vruchtbare, maar moerassige kustvlakte Campania, welke steeds meer aangroeit. De voornaamste zijrivieren van rechts zijn de Treska en de Erna, van links de Lepenac, de Pcinja en de Bregalnica. Belangrijke plaatsen aan de rivier zijn: Kalkandelen (Tetovo), Uskub (Skoplje) en Keuprulu (Veles). De rivier wordt druk gebruikt voor het vlotten van hout. Slechts door een waterscheiding van 458 m. hoogte van het Morawadal gescheiden, vormt zij, als voortzetting van deze, een belangrijken natuurlijken verkeersweg voor het transitoverkeer van het Balkanschiereiland. De spoorweg Uskub-Saloniki volgt de richting van het dal.

Wardsche kas is de naam van een omstreeks 1830 door den Engelschman N. B. Ward uitgevonden toestel, dat dient om planten te vervoeren of onder ongunstige omstandigheden te kweeken. Het bestaat uit een vlakken metalen of houten bodem met glazen wanden en een glazen deksel. De bodem wordt met aarde bedekt, waarin de planten of zaden worden geplaatst, vervolgens worden zij be-

Sluiten