Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezetting, benevens een markthal en telt 2100 inwoners. De oase, welke door ongeveer 350 bronnen wordt bevloeid, is rijk aan dadelpalmen, die een belangrijk uitvoerartikel leveren en andere vruchtboomen (4 millioen). Zij is van belang als kruispunt van karavaanwegen. De gezamenlijke bevolking der oase (Berbers, Negers, Mzabiten en Franschen) gaat, met inbegrip der afhankelijke stammen, 16000 niet te boven.

Waringen (Ficus Benjamina L.) is de naam van een op Java voorkomende ficussoort, waarbij uit de takken tallooze luchtwortels naar beneden gaan, die in den bodem wortel schieten en aldus met den hoofdstam een uit 60—100, ja soms uit 300 boomen samengesteld woud vormen. Men vindt den waringin langs wegen, op erven en vooral op vele dorpspleinen van Java aangeplant.

Warkruid (Cuscuta) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Conwlvulaceeen. Het omvat enkel bladerlooze woekerplanten, die de gewassen, waarop zij zich vasthechten, door het uitzuigen van voedende sappen aanmerkelijk benadeelen. Hoewel de zaden van het warkruid in den grond ontkiemen, is hun verdere ontwikkeling'afhankelijk van de aanwezigheid van andere planten. Heeft het stengeltje éen van deze bereikt, dan sterft de hoofdwortel en langs de zijde van den stengel, welke met de plant in aanraking is, ontstaan stompe verhevenheden met zuigwortels, die in de zachtere weefsels der door hen bewoonde gewassen doordringen. In ons land heeft men het Europeesch warkruid (C. Europaea) op brandnetels, hop, walstroo enz., — Thijmwarkruid (C. epithymum) op de thijm en de heide.— en het vlaswarkruid (C. epüinum) op het vlas. Alle zijn eenjarig en bloeien in Juli en Augustus.

Warm- of Thermosflesschen. Zie Therrrwfoor.

Warmbloedige Dieren (Idiotherrm, Hotnoeolherme dieren) noemt men, in tegenstelling tot koudbloedige, de dieren, zooals zoogdieren en vogels, welke onder verschillende uitwendige toestanden dezelfde lichaamstemperatuur behouden.

Warmbrann, een dorp in het Pruisische regeeringsdistrikt Liegnitz, gelegen aan den Zacken, aan den spoorweg Rirschberg—Grünthal en aan den electrischen tramweg Hirschberg—Hermsdorf, bezit een kasteel van graaf Schaffgolsch, tot wiens heerlijkheid Warmbrunn behoort, een Protestantsche en een R. Katholieke kerk, een oud proostdijgebouw,waarin thans de grafelijke boekerij met 8000 deelen is gevestigd, een middelbare school voor meisjes en jongens, een schouwburg, een hospitaal, een machinefabriek, hout-, glas- en steenslijperijen, bierbrouwerijen, fabrieken van geschilderd glas en porselein, speelgoedfabrieken enz. en telt (1906) 4077 inwoners. De plaats is beroemd om haar warme bronnen, 6 zwak alkalisch- salinische zwavelbronnen van 26—46° C. Zij worden gebruikt voor drink- en badkuren in gevallen van jicht, gewrichtsrheumatiek enz. Het aantal badgasten bedroeg in 1907: 3797. In de nabijheid liggen de Scholzenberg (434 m.) en de Weihrichsberg (360 m.), beide met prachtig panorama.

Warming-, Joliannes Eugenius Bülow, een Deensch plantkundige, geboren den 3den November 1841 op het eiland Manoe in de Noordzee, studeerde te Kopenhagen, vertoefde van 1863—1866 te Ligna Santa in Brazilië, studeerde daarna in Denemarken, promoveerde in 1871, zette zijn studiën voort te

Bonn en werd in 1863 docent in de plantenanatomie aan de universiteit te Kopenhagen. In 1876 werd hij bovendien hoogleeraar in de pharmaceutische plantkunde, in 1882 hoogleeraar te Stockholm en in 1886 hoogleeraar en directeur van den hortus botanicus te Kopenhagen. In 1884 bereisde hij Groenland, in 1886 het N. van Noorwegen en in 1891 Venezuela en W. Indië. Met voorliefde bestudeerde hij intermediaire, tusschen 2 verschillende morphologische grondtypen staande vormingen. Hij leverde bijdragen voor Martius' „Flora brasiliensis", gaf de „Symbolae ad floram Brasiliae centralis cognascendam" (1867—1893) uit en schreef: „Om Grönlands vegetation" (1886), „Podostemaceae" (6 dln., 1881 —1899), „Handbog i den systematiske Botanik" (3de druk, 1891), „Den almindelige Botanik" (4de druk met Johannsen, 1901), „Plantesamfund" (1896) en „Dansk Plante valkst" (l8te dln., 1906.)

Warmte dankt, als begrip, zijn ontstaan aan de gewaarwording, welke ons bij het aanraken van een voorwerp terstond het onderscheid tusschen warm en koud duidelijk maakt. Intussclien geeft de rechtstreeksche aanraking slechts qualitatieve resultaten, welke met de uitwendige verhoudingen veranderen; een quantitatieve, wetenschappelijk bruikbare maat levert zij niet. Daartoe maakt men van een ander verschijnsel gebruik, dat, naar de ervaring leert, bij alle lichamen onder standvastigen, uitwendigen druk tegelijk met de verwarming optreedt: de volumeverandering. Het meten en vergelijken van die veranderingen leidt tot de invoering van het begrip temperatuur (zie aldaar). Als deze eenmaal gedefinieerd is, dan blijkt, dat er voor een gelijke verwarming van gelijke hoeveelheden van verschillende stoffen niet dezelfde hoeveelheid warmte noodig is, een verschijnsel, dat tot het begrip soortelijke warmte fzie aldaar) voert. Het is de taak der calorimetrie (zie aldaar) de soortelijke warmte der stoffen te bepalen. Het meten van de warmtehoeveelheden eindelijk, welke bij verschillende processen vrijkomen of worden opgeslorpt, vormt het onderwerp van de thermochemie (zie aldaar).

Wat nu de mechanische verklaring der warmteverschijnselen betreft, leiden de wetten der mengingstemperatuur, zooals de calorimetrie deze leert kennen, tot het besluit, dat de warmte iets is, dat, bij onveranderde hoeveelheid, over verschillende lichamen verschillend kan worden verdeeld, zoodat het verlies van het ééne lichaam steeds door de winst van een ander wordt gecompenseerd. Zoeken wij naar mechanische analogieën, dan zijn er slechts twee dingen, welke eenzelfde gedrag vertoonen: de stof en de levende kracht (arbeidsvermogen en -beweging) van stoffelijke deeltjes, welke in beweging zijn.''Daardoor komen wij bij een mechanische verklaring van het wezen der warmte voor het volgende alternatief te staan: öf de warmte verschijnselen berusten op het bestaan van een onzichtbare en onweegbare warmtestof, welke in alle lichamen aanwezig is, 6f zij berusten öp het arbeidsvermogen van beweging van de kleinste deeltjes der lichamen. Dit alternatief wordt beslist, doordat de theorie van de warmtestof noch een verklaring van het ontstaan van warmte door wrijving of door mechanischen arbeid in het algemeen, noch van de warmtestraling kan geven. Warmte is dus niets anders dan een vorm van arbeidsvermogen. De theorie, welke in haar verklaringen daarvan uitgaat,*noemt men niecha-

Sluiten