Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELEIDINGSVEMMOGEN in gr. cal. per seconde.

Glas 0,0019 Water 0,00124

Kwik 0,00 072 Alkohol 0,000 49

Zuurstof 0,000 056 Aether 0,000 40

Koolzuur 0,000 032 Waterstof... .0,000 332

Voor metalen bestaat er verband tusschen liet geleidingsvermogen voor warmte en dat voor electriciteit; voor vloeistoffen is het bij benadering evenredig met de soortelijke warmte en voor gassen is het, volgens de kinetische gastheorie, met de soortelijke wamte (Cv) en de inwendige wrijving (p)

verbonden door de betrekking k = — Cv. q.

De techniek maakt van het warmtegeleidingsvermogen der lichamen op zeer verschillende wijze gebruik. Ijskelders, safe deposits, liooikisten enz. omgeeft men met slechte warmtegeleiders, waardoor temperatuurverhooging, resp. ontbranding van den inhoud wordt tegengegaan. De vlam van een mijnlamp omgeeft men met geleidend kopergaas, om ontsteking van het mijngas te voorkomen. t>p het verschil in warmtegeleidingsvermogen berust bijv. de werking van den metaalthermometer, van sommige thermoregulateurs enz.

Warmtegeleidingsvermogen. Zie Warmtegeleiding.

Warmteg-eleiding-svermog-en, Uitwendig Zie Warmtestraling.

Warmtegraad noemt men de temperatuur van een lichaam. Zie Temperatuur.

Warmte- of Thermische aequator. Zie Temperatuur der lucht.

Warmtestraling- noemt men de voortplanting van warmte, voor zoover zij door bemiddeling van de stof tot stand komt. Ook in de ledige ruimte heeft zij plaats, zooals bijv. met de zonnewarmte het geval is. Daar de warmtestralen onzichtbaar zijn, maakt men bij het onderzoek van de warmtestraling gebruik van den thermomultiplicator van Melloni en van den bolometer. Het resultaat van de onderzoekingen naar het karakter der warmtestralen leert, dat zij in natuurkundig opzicht identiek zijn met lichtstralen. Het onderscheid is subjectief en hangt hiervan af, dat de gevoeligheid van het oog voor lichtstralen van grootere golflengte begrensd is. Warmtestralen planten zich evenzoo voort als lichtstralen, de stralende warmte wordt door gepolijste oppervlakken op dezelfde wijze als het licht teruggekaatst. Dit terugkaatsingsvermogen is voor verschillende- stoffen zeer verschillend. Gepolijst zilver reflecteert bijna alle opvallende warmtestralen, steenzout, minder dan één twaalfde daarvan. Een lens breekt warmtestralen, evenals lichtstralen. Stoffen, welke warmtestralen doorlaten, noemt men diathermaan, zulke, die hen volkomen absorbeeren, adiathennaan. Het doorlatingsvermogen voor warmte is niet gebonden aan dat voor licht. Een ijsplaat laat wellicht-, maar zoo goed als geen warmtestralen door, een jodiumoplossing in zwavelkoolstof werkt omgekeerd. Steenzout is diathermaan, zoowel als doorschijnend; het absorbeert de licht- evenmin als de warmtestralen.Andere stoffen absorbeeren stralen van bepaalde golflengte, zoodat deze laatste ontbreken als men met behulp van een steenzout prisma een warmtespectrum ont¬

werpt, nadat de stralen door zulke stoffen zijn heengegaan. Melloni noemde dit verschijnsel therrnochrose.

Volgens de theorie van Prévost straalt ieder lichaam warmte uit en ontvangt het gelijktijdig warmte door straling van de omringende lichamen. Brengen wij in een luchtledige ruimte, omgeven door adiathermane wanden, bijv. een metalen ketel met volkomen gepolijste wanden, twee lichamen van verschillende temperatuur, dan ontstaat na korten tijd temperatuurevenwicht. Brengt men daarna een koud lichaam in den ketel, dat echter de andere niet aanraakt, dan stijgt de temperatuur door de stralende warmte, welke de andere uitzenden; hun temperatuur daarentegen daalt. Daar nu niet valt aan te nemen, dat het koude lichaam alleen door .zijn tegenwoordigheid aanleiding zou geven tot het optreden van warmtestraling, moeten wij wel aannemen, dat een lichaam steeds en onafhankelijk van zijn temperatuur warmtestralen uitzendt en andere ontvangt. Op grond van deze theorie toonde IiirchIwff aan, dat de verhouding tusschen het emissieen het absorptievermogen voor warmtestralen voor alle stoffen bij dezelfde temperatuur standvastig is (zie Straling). Het verband tusschen de hoeveelheid uitgestraalde warmte (Q) en de temperatuur wordt gegeven door de stralingswet van Stefan, welke den vorm: Q = <r O (T4—T/) heeft, waarin O de oppervlakte van het uitstralende lichaam, T zijn absolute temperatuur. rl\ die van de omgeving en a een constante is, welke van den aard van het uitstralend oppervlak afhangt. Is het verschil T—Tx = V klein en positief, dan kan men de betrekking schrijven in den vorm: Q = 4 a O Tx3 V. De afkoelingssnelheid, d. i. de daling der temperatuur per seconde, is dus evenredig met het voorhanden temperatuurverschil {Newton). Stelt men 4 a T113 = h, dan wordt Q = h O V en noemt men h het uitwendig warmtegeleidingsvermogen. Het wordt gemeten door de hoeveelheid warmte per seconde en bij een temperatuurverschil van 1° C. uitgestraald.

Warna. Zie Varna.

Warneck, Gustav Adolj, een Duitsch Protestantsch godgeleerde, geboren den 6den Maart 1834 te Naumburg, studeerde te Halle, was gedurende verschillende jaren als predikant werkzaam,werd in 1871 zendingsinspector te Barmen en in 1874 predikant te Rothenschirmbach. In 1874 stichtte hij de „Allgemeine Missions Zeitschrift" en in 1879 riep hij de Sachsische „Provinzial-Missionskonferenz" te Halle bijeen. Hij schreef o. a.: „Missionsstunden" (dl. 1: „Die Mission im Lichte der Bibel", 5de druk, 1907; dl. 2: „Die Mission in Bildern aus ihrer Geschichte", (lste stuk: „Afrikaund die Südsee", 4de druk, 1897, 2de stuk, „Asien und Amerika", door Grundemann, 3de druk, 1900), „Die gegenseitigen Beziehungen zwischen der modernen Mission und Kultur" (1879, „Abrisz einer Geschichte der protestantischen Missionen" (8ste druk, 1905), „Protestantische Beleuchtung der römischen Angriffe auf die evangelische Heidenmission" (1885), „Die Mission in der Schule. Ein Handbuch für Lehrer" (10de druk, 190§), „Die Stcllung der evangelischen Mission zur Sklavenfrage" (1889) en „Evangelische Missionslehre" (2<>« druk, 3 dln., 1897—1905).

Warnemünde, een plaatsje in Meckienburg— Schwerin, op 11 km. afstand van Rostock gelegen, aan de monding van den Warnow in de Oostzee en aan den spoorweg Neustrelitz—Warnow, heeft een

Sluiten