Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de zuurstof en de waterstof vrij maken. Vele zware metalen ontleden het bij gloeihitte en ook koolstof doet zulks.

De waterdamp van den dampkring scheidt zich bij genoegzame daling der temperatuur af als dauw, rijp, nevel, regen, sneeuw of hagel. Een groot gedeelte van dit al dus neergeslagen, zoogenaamd meteoorwater komt door verdamping rechtstreeks weder in den dampkring. Het overige dringt grootendeels in den grond totdat het op een ondoordringbare laag stuit, waarover het als grondwater verder stroomt, om eindelijk als bron weder te voorschijn te treden. Met het water, dat rechtstreeks afvloeit, stroomt het door beken en rivieren naar zee. Zoo zet het water, uit de zeeën als damp opstijgend zijn kringloop gestadig voort, die zich echter niet steeds binnen zulke nauwe grenzen als hierboven beschreven beweegt. Veel water wordt n. 1. ook in de poolstreken en op hooge bergtoppen voor langen tijd als ijs vastgelegd, terwijl een ander gedeelte zijn weg neemt door het plantaardig en dierlijk lichaam, en nog een ander deel door hydraatvorming voor goed wordt gebonden.

Zooals reeds gezegd, is het water in de natuur nooit zuiver. Het zuiverst is regenwater. Het bevat echter naast zuurstof, stikstof en koolzuur, welke drie in alle natuurlijke wateren aanwezig zijn, steeds salpeter- en salpeterigzuur, ammoniak en geringe hoeveelheden van waterstofsuperoxyd, mikroörganismen en stofdeeltjes, waaruit het de oplosbare stoffen opneemt. Het gehalte aan onzuiverheden yerschilt naar gelang van plaats, jaargetijde, windrichting enz. Stadsregenwater is steeds onzuiverder dan landregenwater. Het bevat naast de genoemde verontreinigingen nog zwavelzuur en zwaveligzuur; het ammoniakgehalte is grooter. Het gehalte aan salpeterzuur is in het algemeen des zomers hooger dan in don winter; bij ammoniak is het omgekeerde het geval. Bij onweersbuien neemt het salpeterzuurgehalte toe, dat van ammoniak af. Zouten treft men vooral aan in de nabijheid van kusten en zoutziederijen.

Het meteoorwater, dat in den grond dringt, verliest alle gesuspendeerde stoffen, alle stofdeeltjes en mikroörganismeu en staat aan de organische bestanddeelen van den bodem en ook aan ijzer- en mangaanocyduul verbindingen zuurstof af. Daarom is deze in wel- en bronwater meestal slechts in geringe hoeveelheid aanwezig bij het staan aan de lucht wordt zij echter spoedig weder opgenomen. Door het opslorpend vermogen van den aarbodem verliest het water ook andere bestanddeelen, vooral ammoniak, maar lost daarentegen onderscheidene minerale stoffen op, vooral daar het gelegenheid heeft koolzuur op te nemen, waardoor zijn oplossende en ontledende werking op delfstoffen nog grooter wordt. Hoe zeer de samenstelling van het bronwater ook afhangt van den bodem, waaruit het afkomstig is, toch kent men geen, door den aard van het bodemmateriaal, bepaalde, karakteristieke samenstelling er van. Het gehalte der bronnen aan afzonderlijke minerale bestanddeelen en aan koolzuur schommelt binnen zeer ruime grenzen, vooral als men ook die bronnen meetelt, welke als minerale wateren (zie aldaar) een eigenaardig karakter bezitten. Ook bij één en dezelfde bron is het gehalte aan belangrijke schommelingen onderhevig. Het stijgt en daalt in het algemeen met de temperatuur.

Grondwater stemt overeen met bronwater. Het is vrij van bacteriën, omdat deze door de aardlagen, welke het doordrongen heeft, worden vastgehouden. Alleen wanneer het te voorschijn komt uit een gesteente met wijde kloven, dat binnen een bewoond gebied aan de aardoppervlakte komt, kan het bacteriën bevatten. Het grondwater wordt door middel van putten omhoog gevoerd en is, wanneer deze in steden zijn aangelegd, sterk bootgesteld aan het gevaar van verontreiniging. W ater uit plassen, vijvers en moerassen is meestal sterk verontreinigd door ontledingsprodukten van de organische bestanddeelen van afgestorven planten en dieren en door mikroörganismen; dat van grootere zoetwatermeren daarentegen is meestal zeer zuiver.

Rivierwater vertoont een zeer afwisselende samenstelling, samenhangende met den aard van zijn herkomst. Het gehalte aan opgeloste minerale stoffen hangt af van de bodemgesteldheid. Gewoonlijk bevatten 1000 dln. rivierwater 2—5 dln. opgeloste stoffen, in hoofdzaak overeenkomende met die van het grondwater. Dikwijls wordt het sterk verontreinigd door afvalwater van steden en fabrieken. Het bedrag der opgeloste bestanddeelen vermeerdert met den loop der rivier, maar het gehalte aan koolzure aardalkaliën daalt, waardoor rivierwater zeer zacht is. Het ammoniakgehalte is geringer dan van regenwater; men vindt geen groote hoeveelheid nitraten, omdat de oxydatie in stroomend water zeer langzaam plaats grijpt. Het gehalte van het rivierwater aan opgeloste organische stoffen wisselt af tusschen 0,62 en 2,77 dln. in 1000 dln. Het zuurstofgehalte is vooral in onzuiver rivierwater gering; dit bevat echter veel koolzuur, alsmede kooloxyd, waterstof en moerasgas.

Water, dat als drimkwaler zal worden gebruikt, moet helder, kleur- en reukeloos zijn en een zuiveren, frisschen smaak hebben. Het moet in het algemeen de gemiddelde jaartemperatuur van de betreffende plaats bezitten. Het best voor het gebruik is een temperatuur van 9—11° C. Drinkwater mag geen ontledingsprodukten van rottende, organische stoffen bevatten, zooals ammoniak, salpeter- en salpeterigzuur, waarnaast grootere hoeveelheden sulfaten en chloornatrium karakteristiek zijn. Ofschoon deze stoffen op zichzelf niet als gevaarlijk moeten beschouwd worden, hebben zij waarde voor de beoordeeling van de hoedanigheid van het water. Men neemt daarom aan, dat er in een L. water, naast sporen ammoniak, hoogstens 20 m. gr. salpeterzuur en 20 m. gr. chloor, bij afwezigheid van salpeterigzuur, mag voorkomen.

Voor praktische doeleinden komt vooral het gehalte van water aan calcium-, magnesium-, ijzer- en aluinverbindingen in aanmerking. Zuiver water noemt men zacht. Het geeft met zeep onmiddellijk schuim. Neemt daarentegen het gehalte aan de genoemde zouten, met name aan calcium- en magnesiumzouten, sterk toe, dan noemt men het water hard. Is deze hardheid een gevolg van de aanwezigheid van dubbelkoolzure (calcium-) zouten, dan verdwijnt zij bij langdurig staan, sneller door koken (voorbijgaande hardheid). De bicarbonaten worden dan n. 1. ontleed, terwijl zich de gevormde normale carbonaten afscheiden. De blijvende hardheid wordt gewoonlijk door gips veroorzaakt. In den laatsten tijd tracht men in de techniekhet water door permutietfilters van zijn hardheid te ontdoen en

Sluiten