Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tect, geboren te Liverpool den 19aen Juli 1830, vormde zich van 1848—1853 praktisch en.theoretisch te Manchester, reisde in Italië en maakte zich in 1859 bekend door zijn ontwerp voor een gerechtshof te Marchester. Onder zijn leiding verrezen verder een graafschapsgevangenis. de hal van Baliolcollege te Oxford, Pembroke-college te Cambridge, het stadhuis en Owen's college, te Manchester enz. Het rijkst ontplooide zijn kunst zich bij den bouw van het South Kensingtonmuseum te Londen. In aansluiting aan de geschiedkundige overlevering van Engeland, gebruikt hij bijna uitsluitend Gotische stijlvormen. Naast de genoemde, grootere bouwwerken, bouwde hij ook eenige landhuizen (Eaton Hall in Cheshire, Heythrop in Oxfordshire). Hij overleed den 23stel> Augustus 1905 te Londen.

Wateringen, een gemeente in de provincie Zuid-Holland, 1032 H. A. groot met (1910) 2399 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Rijswijk, Loosduinen, Monster, Naaldwijk en Hof van Delft. De bodem bestaat uit klei, die door het droogmalen van de uitgeveende plassen werd verkregen, laagveen en alluviaal zand. Vroeger was de veenderij van veel belang. Thans zijn landbouw, tuinbouw en veeteelt de voornaamste middelen van bestaan. Tot de gemeente behoort het dorp Wateringen, de buurt De Zwet, een deel van de buurt Quintslieiil en het gehucht Noordweg.

Het dorp Wateringen bezit een gemeentehuis, een Hervormde kerk, een Roomsch-Katholieke kerk, het gesticht St. Aloysius en een armhuis. Het vroegere Hof te Wateringen werd in 1485 in een Cisterciënser nonnenklooster veranderd en ontving den naam van Maria Convent in Bethlehem. In 1573 brandde het af. Later werd er een buitenplaats aangelegd, die in 1807 werd gesloopt,

Waterjuffers. Zie Libellen.

Waterkalf (Gordius L.), een geslacht uit de familie der Koord wormen, kenmerkt zich door den vorkvormigen staart van liet mannetje. De geslachtsopening ligt op de plaats, waar de staart zich splitst; bij het wijfje aan de punt van den staart. D'> talrijke soorten komen overal op aarde voor. In volwassen toestand leven zij vrij in zoet water, waarin zij hun eieren leggen. De jongen boren zich in insectenlarven, spinnen zich in en blijven in dien toestand, totdat de gastheer door libellenlarven, zoetwatervisschen enz. wordt opgegeten. In de lichaamsholte van deze laatste ontwikkelen zij zich dan verder, komen naar buiten en worden in het water geslachtsrijp. Daarbij gaan alle organen, welke niet bij de voortplanting zijn betrokken, achteruit. Gordius Villoti of aquaticus L. komt voor in geheel Europa. Hij wordt bijna 1 m. lang en 0,5—1 mm. dik. Hij ligt dikwijls in een Gordiaanschen knoop (vandaar de naam Gordius) op den bodem van beken en vijvers.

Waterkers (Nasturtium officinale) behoort tot de familie der Cruciferae en vormt een belangrijke bladgroente, welke echter in ons land nog zeer weinig maar in 't buitenland op groote schaal gekweekt wordt. Ten einde de teelt te bevorderen maakt men gebruik van zacht stroomend water waar de plant met de wortels in den bodemgrond kan groeien. Daardoor blijven de stengels zeer zacht en ; voor de consumptie geschikt. In Duitschland en Engeland vooral staat deze cultuur zeer hoog. De teelt is eveneens mogelijk op lage zand- en veengronden

, in ons land, hoewel de kwaliteit der bebladerde stengels op zulke gronden geringer is. De voortteeling geschiedt door zaden of stekken.

Waterkever (Dyticidae Leach, Hydrocanthari L.) is de naam eener keverfamilie uit de afdeeling der Vijfledigen (Penlamera, zie Kevers). Zij omvat in sekten, welke veel overeenkomst hebben met de loopkevers, vooral wat de monddeelen en de sprieten betreft, maar onderscheiden zich door een plat, eivormig lichaam en door behaarde achterpooten' die tot zwempooten dienen. Het vierde tarslid aan de voorpooten ontbreekt wel eens en bij het mannetje zijn de eerste drie leden der voorste en somtijds ook der middenste tarsen op eigenaardige wijze verbreed. Zij leven meestal in stilstaande wateren, maar vliegen vaak des nachts in het rond en verbergen zich des winters onder het mos in de bosschen. Om adem te halen, komen zij van tijd tot tijd aan de oppervlakte van het water en steken de punt van het achterlijf, waar het laatste paar luchtbuizen zich opent, boven het water omhoog. Zij zeiven en ook hun larven voeden zich hoofdzakelijk met weekdieren en waterinsekten. De larven zijn langwerpig, naar voren en naar achteren dunner, met twee behaarde buizen aan het achterste gedeelte des lichaams. Haar bek is gesloten, maar de sikkelvormige kaken, waarmede zij haar prooi grijpen, zijn ingericht, tot zuigen. Haar pooten zijn lang en vijfledig. Tot dit geslacht behoort de gerande waterkever (Dylicus margimlis L.), 3 cm. 'lang, van boven donker olijfgroen met een gelen zoom, — alsmede de gegroefde waterkever (Acilius sulcatus L.), die zich van den voorgaande onderscheidt door klauwen aan de achterpooten. Tot het geslacht Hydroporus Clairv. behooren de kleinste vormen met draadvormige achtertarsen, wier klauwen even groot en beweegbaar zijn. Al de genoemde kevers zwemmen door gelijktijdige beweging der beide achterpooten, terwijl er andere soorten zijn, die de achterpooten afwisselend bewegen. Tot deze behoort Cnemidotus caesus L. — De tuimelkevers (Gyrmidae), welke een andere familie vormen, hebben eveneens een ovaal lichaam, afgeknotte dekschilden, lange voorpooten en vinvormige achterpooten en bevinden zich in menigte in zoet en zout water, terwijl zij bij het duiken een aan het Achterlijf vastgehechte luchtbel medenemen. — De Tasterhoornigen (Palpicomia Latr.) vormen eindelijk een derde familie van waterkevers en onderscheiden zich door zeer lange kaaktasters. Zij hebben een plompe manier van zwemmen, voeden zich met plantaardige stoffen en omhullen hun eieren met een peervormig spinsel (cocon), dat zij nabij de oppervlakte aan waterplanten vasthechten. Hiertoe behooren groote kevers, zooals de zwarte waterkever (Htjdrophilus piceus L.).

Waterkracht. De technische toepassing van de waterkracht heeft ten doel, het arbeidsvermogen van stroomend water in mecha'.isch arbeidsvermogen om te zetten en dit voor maatschappelijke doeleinden aan te nemen. Dit geschiedt met behulp van watermotoren (zie aldaar), waaraan het water onder aanwending van stuwen, afzonderlijke kanalen (zie Watermolen), gesloten buisleidingen enz. wordt toegevoerd. Daar het beschikbare arbeidsvermogen afhankelijk is van de hoeveelheid water en de valhoogte, tracht men in nieuweren tijd deze zooveel mogelijk te vergrooten. De grootste

Sluiten